Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar, Woordenboek van platte taal. Geïllustreerd met een alfabet door Jacques Tange. Uitgeverij BZZTôH. ’s Gravenhage, 2007.

 

Eric Hoekstra

 

Een woordenboek schrijven is saai, dat weet iedereen, want het gebruik ervan is immers ook saai.

Aldus openen de samenstellers ervan, Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar, hun Woord vooraf. Persoonlijk vind ik dat niet de beste insteek. Het doet me denken aan de manier waarop oudere Nederlandse literatuur wordt aangeprezen. Dat gebeurt vaak in de trant van: hoewel dit boek reeds twee (of meer) eeuwen oud is, is er nog veel in te vinden dat verrassend actueel is. Terwijl men juist oudere literatuur leest, omdat die NIET actueel is, anders is. Kortom, men moet geen vooroordelen bevestigen. Trouwens, ik heb in een vakantie ooit met veel smaak in het het Fries-Nederlands woordenboek de letters A-G doorgelezen.

 

Er zijn trouwens ook veel mensen die woordenboeken niet saai vinden. Wil men echter een nieuwe doelgroep bereiken, dan moet het vooroordeel over de saaiheid van woordenboek simpelweg doodgezwegen worden. Veel beter was het geweest het Woord vooraf bij het woordenboek te beginnen met de laatste zin van de eerste alinea:

Ook al zal men niet gauw geneigd zijn dat toe te geven: vrijwel iedereen zoekt eerst de ‘vieze’ woorden op in een nieuw woordenboek.

En inderdaad, het vieze woord in de breedste zin des ... woords ... kan zich in een brede belangstelling verheugen. Als men van een woordenboek een bestsellertje wil maken, kan men geen betere keus doen dan er een van vieze woorden, van platte taal, samen te stellen. En aldus is geschied. Het boek is bijzonder aantrekkelijk vormgegeven: een gulle belettering, degelijk papier en prachtige illustraties van kunstenaar Jacques Tange. Tange opent elke nieuwe letter met een paginagrote illustratie. Het boek is een lust voor het oog, en een ideaal cadeau, zo niet voor moederdag dan toch voor verjaardagen.

 

Dit woordenboek bevat platte taal. Daaronder verstaan de auteurs woorden en uitdrukkingen die men niet zomaar kan gebruiken omdat ze niet door iedereen worden geaccepteerd. De woorden bevinden zich in de taboesferen van seks, drank, misdaad en dood. Het is mij niet geheel duidelijk wat nu wel plat is en wat niet. De auteurs rekenen bijvoorbeeld een woord als deskundoloog tot het plat en daar kan men toch wel vraagtekens bij plaatsen.

 

Natuurlijk is het grootste deel van de opgenomen woorden evenzogoed in de driedelige Van Dale te vinden. Zelfs de golden shower, die ik niet in de dertiende druk (1999) aantrof, bleek in de nieuwste druk (2005) reeds te zijn opgenomen. De wetenschappelijke meerwaarde van dit woordenboek is daarom gering. Natuurlijk hebben platte woorden een grote amusementswaarde. Ik zie het “Woordenboek van platte taal” daarom niet zozeer als een bijdrage aan de taalwetenschap maar eerder als een bijdrage aan de popularisering van de taalwetenschap.

 

Op het Woord vooraf volgt eerst een Inleiding. Daarin wordt bijvoorbeeld gewezen op taalverandering. Vormden vroeger landlopers een sociaal probleem, tegenwoordig zijn het daklozen. Ondanks de verschillende maatschappelijke context kunnen deze woorden welhaast als synoniemen beschouwd worden. In beide gevallen is met regelmaat sprake van verslaving, al zijn er nieuwe drugs naast de alcohol opgekomen. Grootste verschil is: een landloper vertoefde vooral op het platteland, in elk geval in de zomers (Swiebertje), terwijl een dakloze vooral in de stad te vinden is.

 

In de Inleiding melden de auteurs geen plaatselijke, regionale of dialectische varianten te hebben opgenomen, tenzij deze tot het algemene gebruik zijn doorgedrongen. In mijn (noordelijke) ogen houden ze zich daar niet helemaal aan. Een woord als jajem of bijgoochem zal men in de spreektaal noch de schrijftaal van de noordelijke provincies gauw horen bezigen. Daar staat tegenover dat het woord jajem althans bij de intelligentsia wel bekend is. Het woord bijgoochem is mij persoonlijk altans geheel onbekend. Hetzelfde bezwaar geldt voor andere woorden van specifiek Amsterdamse of Jiddische oorsprong zoals temeier. Zijn die niet plaatselijk of regionaal?

 

Karakteristiek voor de spreektaal in de minder formele regionen van de steden van de Randstad  is het veelvuldig gebruik van ziekten. Het viel me op dat die niet zo prominent in het woordenboek figureren als ze vanuit de mond van randstedelingen beluisterd kunnen worden. Dat valt natuurlijk te prijzen, want het is een sterk regionaal verschijnsel, al hebben alle taalvormen vanuit de Randstad in het algemeen en vanuit Amsterdam in het bijzonder de potentie om uit te stralen naar de Nederlandse spreek- en zelfs schrijftaal. Met de scheldwoorden en verwensingen die ziektes bevatten heeft dat proces van uitstraling naar de algemene straattaal niet zo sterk plaatsgevonden. Dat bleek duidelijk uit de rel rondom Ajax-voetballer Wesley Sneider. Hij vond dat hij zich niet aan een grote onfatsoenlijkheid had schuldig gemaakt toen hij de scheidsrechter Bossen een blinde tyfushond had genoemd. In het Noorden en Oosten des lands dacht men daar anders over. Daar zijn dergelijke scheldwoorden ongewoon en hebben nog hun volle, letterlijke, kracht, terwijl ze in de Randstad, althans voor de heffe des volks, door veelvuldig gebruik zijn afgesleten zodat ze in mindere mate (hoeveel, dat zal per individu verschillen) als grof worden ervaren. De trainer van Ajax, Ten Cate, is een echte ietwat volkse Amsterdammer. Hij hield vol dat de uitdrukking ’blinde tyfushond’ tot het geaccepteerde woordenschat van de straattaal behoort en daarom niet met rood bestraft hoeft te worden.  

 

Op de Inleiding volgt een Toelichting op het gebruik. Daarin wordt de lemmastructuur uitgelegd. Elk artikel bestaat uit vier niveaus: de kop, de betekenis, de vaste verbindingen en de citaten. Een artikel bestaat minimaal uit de kop en de betekenis. Citaten worden lang niet altijd gegeven.

 

In de kop wordt het trefwoord gegeven met grammaticalia en (soms etymologische)  informatie over de herkomst ervan. De Toelichting meldt aangaande het etymologische deel van de lemma’s enigszins verhullend: “In dit woordenboek van platte taal is het echter zinvoller om de herkomst van betekenissen te vermelden.” Dat houdt in dat er geen informatie over de taal van herkomst wordt gegeven. Bij dadel wordt dus niet de herkomst uit onder andere het Grieks vermeld, maar volstaan met de mededeling “naar de vorm”, want daar is de bijbetekenis van vrouwelijk geslachtsdeel op gebaseerd. In feite is er zelden een etymologische verklaring in traditionele zin te vinden. De etymologische uitleg van potloodventen naar de betekenis blijkt neer te komen op een ontleding in samenstellende delen, want de etymologie van potloodventen luidt: “van potlood en venten”. Incidenteel wordt wel het Gotisch vermeld (bij kut en geil bijvoorbeeld), vermoedelijk omdat daardoor de platte betekenis van het woord in kwestie beter begrepen kan worden. Woorden uit het Frans en het Engels worden in het etymologische deel van het artikel om dezelfde reden vertaald.

 

Misschien ook typisch randstedelijk, hoewel ik dat eigenlijk betwijfel, is het mij volkomen onbekende woord bakra ‘blanke’, afkomstig uit het Sranan. Dat lijkt me veel te specialistisch voor dit woordenboek. Een ander woord dat wel is opgenomen maar stellig niet in algemeen gebruik is, is seibelen ‘zeuren’.

 

Er zijn ook buitenlandse woorden opgenomen zoals golden shower. Er wordt niet vermeld wat het selectiecriterium voor het opnemen van buitenlandse woorden is. Zo is golden shower een tamelijk specifieke, weinig courante, uitdrukking in het Nederlands. Ik mis daar trouwens ook een doorverwijzing naar plasseks. Gezien de afwezigheid van een expliciet genoemd selectiecriterium vraag ik me af waarom andere Engelse woorden niet zijn opgenomen, zoals plumper (vrouw met Rubensiaans lichaam) en faggot (homo). Wel opgenomen zijn de mij volslagen onbekende Engelse woorden homey en homeboy.

 

Om het woordenboek nog toegankelijker te maken hebben de auteurs eendertig kaderteksten opgenomen. Een kadertekst bestaat uit een aantrekkelijk vormgegeven kader met daarin een summiere bespiegeling en reeks zinnen die het gebruik van een thematisch samenhangende groep platte woorden illustreren. De kaderteksten zijn gegroepeerd rondom de steekwoorden: auto, bordeel, crimineel, dood, drinken, eten, geil, geld, hoer, homo, jajem, klap, kut, lul, masturberen, nachtleven, neuken, orgasme, praten, prostitutie, reet, seks, smeris, speeltje, tieten, uitwerpselen, variaties, wind, zat, zeuren.

 

Ik besluit met enkele losse opmerkingen.

 

In het woordenboek worden van de citaten geen bronnen vermeld. Een volledig overzicht van de citaten en hun bronnen kan gevonden worden op: www.plattetaal.nl. Daar ontbreekt echter een systematisch overzicht van bronnen, hetgeen toch wel als een ernstige tekortkoming aangemerkt mag worden. Er is slechts een alfabetisch bestand van steekwoorden en bijbehorende citaten. Waarom de bronnen niet achterin het woordenboek afgedrukt?

 

Dit woordenboek is niet zozeer bedoeld als streng wetenschappelijk woordenboek, maar eerder als cadeauboek, of als populariserend woordenboek. Als zodanig is het geslaagd.