Vive la différence? Autochtone beschimpingen van het afwijkende in Friesland.

Eric Hoekstra, Fryske Akademy, Leeuwarden

1. Autochtoon, allochtoon: grote verschillen, kleine verschillenTijdens een uitstapje hoorde ik een rijmpje gezongen door normale, mij goed bekende, representatieve meisjes van de lagere school. Het rijmpje werd gezongen op de melodie van zie ginds komt de stoomboot, en gaat over een stoomboot met Turken. Ik herinner me de laatste regels die de meisjes zingen aldus: Pak nu de bazooka / en maai ze maar neer / En blijft er één staan, / dan krijgt die nog meer.
Er zijn vele gradaties van humor, spot en beledigingen. Het is een continuüm: humor zakt af en gaat over in spot, spot zakt af en gaat over in belediging, belediging zakt af en gaat over in doodswens. De mens treedt het afwijkende met humor, spot, beledigingen of zelfs doodswensen tegemoet.
Verschillen beperken en benadrukken de eigen identiteit. Als beperking op de eigen identiteit is de manifestatie van het vreemde natuurlijk bedreigend. De nadruk die er op verschillen wordt gelegd gaat zelfs zo ver dat taalkundige verschillen tussen aanliggende plaatsen kunnen worden opgemerkt en al dan niet met spottende bijbedoeling expliciet worden gemaakt. Hieronder zullen een aantal van die taalkundige verschillen voor wat betreft Friesland de revue passeren. We baseren ons daarbij op gegevens van een enquête (15, vraag 33) uit 1947 van het Meertens Instituut, en op gegevens van de huidige enquête van de SND. [noot 1] Zie ook het bij dit artikel bijgesloten kaartje van de dialecten in Friesland (een aangepaste versie van de kaart op de omslagpagina van P. Breuker "Noarmaspekten fan it hjoeddeiske Frysk", RUG, Groningen).

2. Voorbeelden van opgemerkt en in zinnetjes gecodificeerd taalverschil
2.1. Inleiding
Taalverschillen worden door de taalgebruiker opgemerkt als er aan twee voorwaarden voldaan is. Ten eerste moet de taalgebruiker regelmatig met de 'afwijkende' spraak geconfronteerd worden. Hieruit volgt dat de origine van een geobserveerd taalverschil in het gebied ligt waar twee taalvarianten elkaar ontmoeten. Daarna kan een observatie een eigen leven gaan leiden en elders bekend raken, zie de Stellingwerfse voorbeelden hieronder. Daarnaast moet het een in het oor springend verschijnsel zijn. Hieronder presenteren we de interessantste enquêteresultaten. Daarbij gaan we verschillende dialecten langs die er zoal in Friesland te vinden. Voor degene die niet bekend is met de Friese taalgeografie, voegen we een kaartje bij met de traditionele dialectindeling van Friesland.

2.2. Stellingwerven tegenover Friestalig Friesland
In de Stellingwerven onderscheidt men zich van de Friestalige Friezen ten noorden van de rivier de Tjonger. Friezen zeggen dan dat mensen uit de Stellingwerven krumproaters zijn, en dat ze van gene kaente komen, waarmee het land aan de overkant van de rivier de Tjonger door de Friezen in een Stellingwerfse frase wordt aangeduid. Het aardige daaraan is dat de spottende partij een poging doet het taalgebruik van de ander te imiteren, en door die imitatie vindt toch een vorm van assimilatie plaats. In het onderhavige geval wordt de uitspraak fan de lange /a:/ als karakteristiek Stellingwerfs ervaren (zie het artikel van Bloemhoff over het Stellingwerfs in deze bundel)

2.3. Zuidwesthoek
De drie grote dialectgebieden in Friesland zijn de Klei, de Wouden en de Zuidwesthoek.
Het kleidialect lijkt het meest op het Standaard Frysk (Geef Frysk of spottend boekjefrysk genoemd). De Zuidwesthoek wijkt vooral af op de volgende twee punten. De combinatie /wo/, gespeld uo als in skuon is een u geworden als in nul. En de tweeklank /wa/, gespeld oa als in skoalle is een soort open u geworden, als in Duits Götter. Zoiets valt op, dus het spotzinnetje voor de Zuidwesthoek is:
mei skunn en hözn oan 'e futn nei sköle ta
(met schoenen en sokken aan de voeten naar school toe)
Dit zinnetje wordt alleen voor de Zuidwesthoek opgegeven. Het is tamelijk bekend, want het wordt bij herhaling opgegeven. In de oostelijke Zuidwesthoek zegt men sonne en ronne in plaats van algemeen Fries rinne en sinne. Zodoende vanaf de aanpalende Klei het zinnetje:
Dêr komme se an. De hudden op 'e holle, de skunnen an 'e futten, en sa de stritte delronne yn 'e sonne.
Binnen de Zuidwesthoek wordt iemand uit Warns bespot met:
Hangje de jas dêr mar del.
Vanwege de A's, want in het Fries van de overige dialecten is de uitspraak Hingje de jos (jos met een open O).

Lemmer
In de omgeving van Lemmer wordt de spot gedreven met het feit dat Lemsters lange klinkers extra lang zouden aanhouden:
Must iene Leemer komme, sok tie iene haaven donderje.
Daarbij worden de onderstreepte klinkers extra lang aangehouden. Volgens één van de informanten is een gerekte uitspraak van lange klinkers en een zeurderige intonatie ook in andere IJselmeerplaatsen te vinden. Wellicht kan een geschoolde fonoloog dit verschijnsel eens nader onderzoeken. Merk op dat bovenstaand spotzinnetje kwa inhoud alleen op havenplaatsen van toepassing kan zijn.
2.4. Stadsfries
In de meeste Friese steden is tussen de zestiende en de negentiende eeuw een stadsdialect ontstaan dat beschouwd wordt als een vorm van Hollands op Fries substraat. Dat geldt voor de steden: Leeuwarden, Dokkum, Franeker, Harlingen, Bolsward, Sneek, Stavoren, Heerenveen, Kollum. Die stadsdialecten lijken oppervlakkig op het Hollands, maar syntaxis, morfologie en woordenschat doen sterk aan het Fries denken, al worden ze natuurlijk steeds 'Hollandser'. Ze worden soms bespot door degenen die nog wel Fries spreken, met name op het omringende platteland.
Harlingen
Faeder, der leit in soldaet in 't waeter; geef me 'n haek, dan sal 'k him der út haeleOpvallend aan de stadsdialekten is het gebruik van faeder als gemeenzame aanspreekvorm, en het gebruik van Hollandse A's, waar het Fries andere klinkers heeft: waeter (wetter), haek (heak), haele (helje). Ook de woordenschat is behoorlijk verhollandst: geef (jou), sal (sil).

Aa seun, dan siktie in e süderhaavn kiegele.
Merk op dat het laatste zinnetje alleen voor plaatsen met een haven gebruikt kan worden, en dat we een vrijwel gelijk zinnetje ook al in het geval van Lemmer hebben opgetekend. In het geval van Lemmer ging het om een ander taalkenmerk, namelijk de gerekte uitspraak van lange klinkers. Hier gaat het om de typische Harlinger aanspreekvorm seun, en het woord kiegele waar het Fries bruie of smite gebruiken zou.
Se suuden en se wuuden, maar se dusten niet.Dit zinnetje wijst op de van het Fries afwijkende verleden tijden van de hulpwerkwoorden: suuden (soenen), wuuden (woenen), dusten (doarsten).
Dokkum
Ooite, der leit in looite op 'e straaite, die het om Jaainus der del poept
(Vader, der ligt een drol op straat, die heeft Oom Jatis daar op de grond gepoept)
De aai voor lange aa is voor zover mij bekend een verschijnsel dat alleen in het Dokkums voorkomt. Hetzelfde geldt voor de lange ooi in looite (Fries loarte).
Solden en wolden seggen de Dokkumer bolden(Zouden en wouden zeggen de Dokkumer kerels)
Hier wordt de aandacht gevestigd op de afwijkende verleden tijdsvormen van hulpwerkwoorden. Het Fries zou hier namelijk soenen en woenen bezigen, zoals we eerder reeds vermeldden.

Stavoren
Se suuden en se wuuden, en se duusten niet.Ook in het stadsdialect van Stavoren ontsnappen de verleden tijden van hulpwerkwoorden niet aan de scherpe Friestalige oren.
Leeuwarden
'k He myn skúnen pútst met brún skúnepútse(r)sgúd.
Se suuden en se wuuden, en se duusten niet.
Deze zinnen gaan over het afwijkend gebruik van de "u" in het Leewarders. En bij dit stadsdialect wordt ook weer de aandacht gevestigd op de verleden tijd van hulpwerkwoorden.
'Ja hé! Dat doen jimme graag hé?
Want het stopwoord werd in het Leeuwarders anders en vaker gebruikt. De Leeuwarder kon dan antwoorden met Ja nou!, aldus verwijzend naar het in het Fries weer veel gebruikte stopwoord no.
Sneek
We suuden en we wuuden, en we dusten niet.Der is braan op it Groatsaan.
Het Fries heeft in brand en zand geen "aa" maar een geronde open klinker als in Frans Rhône. Vandaar dat Friestaligen de Snekers op dat punt op de hak nemen. En we vinden weer de verleden tijd van hulpwerkwoorden.Franeker
In Frêneker he se wêter in 't kenêl.
We wuuden en we wuuden, en we dusten niet.
Laatstgenoemde zin hebben we ook al gehad bij Stavoren, Sneek en Leeuwarden, en is dus blijkbaar algemeen voor Stadsfries.
Kollum en kontreien
Dy Kollumer lúden, se wúden en se súden, maar se dusten niet.
Wüden en süden seggen de Kollumer lüden.
Wollen en sollen seggen de Boerumer bollen.
Sellen en wellen segge de Visvlieter lellen.
Burum ligt wat ten oosten van Kollum, nog dichter bij Groningen. Visvliet ligt in de provincie Groningen. De dialecten worden gepersifleerd vanwege hun verleden tijdsvormen, net als de Stadsfriese dialecten. Burum en Visvliet zijn echter geen Stadsfriese dialecten, maar sluiten bij de Groningse dialecten aan.
Akkerwoude en Murmerwoude
In Akkerwoude en Murmerwoude wordt wel gebezigd voor is het niet. Dat deel van de Friese Wouden wordt daarom wel de Welwouden genoemd.

2.5. Bildts
Het Bildt is in de zestiende eeuw ingepolderd. Er vestigden zich boeren uit Noord- en Zuid-Holland, en er kwamen boerenarbeiders en andere werkzoekenden uit Friesland op af. Daaruit ontstond het Bildtse dialect, dat in elk geval op syntactisch en morfologisch gebied aardig wat eigenschappen met het Fries gemeen heeft. Tevens heeft het ook kenmerken met de Zuid- en Noord-Hollandse dialecten gemeen, maar ook een aantal unieke kenmerken. Een voorbeeld daarvan is het systeem van verkleinwoorden, met vormen als woordsie voor woordje (Fries wurdsje). Het dialect telt zo'n 10.000 sprekers. Op Zuid-Hollandse herkomst wijst bijvoorbeeld een veelvoorkomende achternaam als Wassenaar.
Bildtkers worden door Friestaligen gekarakteriseerd met behulp van hun gebruik van ai als in de volgende zinnetjes:
Jim hait sien baitsie lait op de blaik.
Oons hait lait op 'e billech in 'e blaik.
Maisy, wat hestou dêr in hai-kerwai met jim hait syn baitsie in 'e maide-blaik.
Bleek
is in het Fries gewoon "bleek" of "blikke". Het verkleinwoord baitsie, dat op -sie uitgaat, kent het Fries ook niet.
Een spotrijmpje bestaat ook:
Ouwe Leie is 'n eulendal
Die der is, blift der al.
Dit rijmpje wordt door Bildkers onder elkaar gebruikt. Oude Leije ligt in het Oosten van Het Bildt.
2.6. Klei
Het Kleidialect komt het meest overeen met het Standaard Fries. Niettemin wordt op een deel van de Klei de ai als oi uitgesproken. Dat geeft aanleiding tot het volgende spotzinnetje:
Doinumer Foikje wachtet yn de roin op har foint
(Feikje uit Deinum wacht in de regen op haar vriend)
De spotnaam voor bewoners van de Klei, die bekend zouden zijn om hun stijve karakter, is kleikluten.

2.7. Wouden
In de Wouden wordt de Friese "ij" in sommige woorden als "ie" uitgesproken, bijvoorbeeld in wie en bie voor "wij" en "bij" Vandaar het volgende rijmpje:
Wie binne de Wâldsjers
De Wâldsjers binne wy.
Sjoch mar nei de skuontsjes
De lintsjes hingje der bie
De spotnaam voor bewoners van de Wouden, die bekend zouden zijn om hun romantisch karakter, is wâldpiken (kuikens uit de wouden), vermoedelijk omdat ze kleiner zouden zijn dan bewoners van de (vroeger rijkere) klei.
2.8. Ameland
Op Ameland moest Buren altijd strijd voeren om zich bij de grote drie (Nes, Ballum, Hollum) te mogen voegen en niet tot de gehuchten te worden gerekend. Het naburige Nes was blijkbaar op annexatie uit, zodat het verder af gelegen Hollum als bondgenoot werd omhelsd. Dat leidde niet tot taalkundige spotrijmen: op Ameland spreekt men hetzelfde dialect, dat overigens sterk Hollands aandoet. Maar het conflict leidde tot politieke rijmen:
Hollum het in hoge toren
Ballum het zien naam verloren
Nes is een stuifgat
In de Buren zeggen ze dat.

3. Uitleiding: autochtoon versus allochtoon
Het afwijkende is het verschillende. De verschillen betreffen doorgaans in het oog springende, direct observeerbare zaken: uiterlijk, taal, kleding. Gek genoeg hoeven de verschillen niet groot te zijn om grote spot op te roepen. Kan men bij Nederlanders en Turken wijzen op objectief gezien grote culturele verschillen, bij Friese dorpen is dat niet het geval. Toch is het zo dat er voor vele Friese dorpen een spotnaam bestaat die door mensen uit omringende dorpen wordt gebezigd. Zo worden mensen uit Joure ook wel Jouster keallepoaten genoemd. Een keallepoat is een kalverpoot en ook een soort bolle koek, die trouwens ook elders in Friesland bekend is. De historische reden van deze schimpnaam is niet bekend. Een groot cultureel verschil tussen Joure en de omringende plaatsen is er ook niet. Hetzelfde geldt bij spotnamen van allerlei andere dorpen. Het feit dat men uit een ander dorp komt is al genoeg om een behoefte aan een schimpnaam te scheppen. Voor de buitenstaander moge er weinig verschil zijn tussen Joure en omgeving, subjectief gezien is er natuurlijk genoeg verschil. Het maakt zeker uit of iemand in Joure of, zeg, Haskerhorne opgroeit, voor de inhoud van zijn individuele ervaringswereld. Wat opvalt is dat de autochtone rijmpjes niet zo hard zijn als de rijmpjes over buitenlanders. De rijmpjes van autochtonen over autochtonen zijn op zijn ergst onschuldige scheldwoorden. Bij rijmpjes over Turken en Marokkanen is sprake van doodswensen. De immigratie van mensen uit een totaal verschillende cultuur heeft dus een veel dieper en ongezonder effect op collectieve zelfbeleving dan de gewone verschillen tussen autochtonen. Opmerkelijk is ook dat dergelijke doodswensen niet gesignaleerd worden als het gaat over bevolkingsgroepen als Chinezen en Indonesiërs. Wanneer we tot slot terugkeren naar de zinnetjes waarmee Friestaligen afwijkende dialecten op de hak nemen, valt op dat er accurate taalkundige observaties in verwerkt zijn. Het Nederlandse talent voor taalkunde is blijkbaar diep in de volksaard geworteld.

Voor meer informatie.
Het Bildts
Buwalda, H. S. (1963) Hoe skrive wy 't in 't Bildts? 'n Handlaiding foar de spelling en inkele dingen út 'e spraakkûnst. Drukkerij Van Leer &;De Jong, St.-Annaparochie.
Buwalda, H.S., S.H. Buwalda en A.C.B. van der Burg (1996) Woordeboek fan t Bildts. En list fan toponimen. Fryske Akademy, Ljouwert.
Hoekstra, E. en M. van Koppen (2001) Het Bildts als resultaat van Fries-Hollands taalcontact. In D. Boutkan and A. Quak (eds) Language contact. Substratum, superstratum, adstratum in Germanic languages. Amsterdamer Beiträge zur Alteren Germanistik. Band 54. Rodopi, Amsterdam - Atlanta, 89-106.
Het Stadsfries
Bree, C. van (1997) Die Syntax des Stadtfriesischen im Vergleich mit Niederläändisch und Friesisch. In V.F. Faltings, A.G. Walker &;O. Wilts (eds) Friesische Studien 3 (North-Western European Language Evolution suppl. vol. 18, 1-48.
Burg, A.C.B. van der (1991) Woardeboek fan ut Leewarders. Fryske Akademy, Ljouwert.
Jonkman, R. (1993) It Leewarders. In taalsosjologysk ûndersyk nei it Stêdsk yn ferhâlding ta it Nederlânsk en it Frysk. Fryske Akademy, Ljouwert.
De Friese dialecten
Hof, J.J. (1933) Friesche Dialectgeographie. Noord- en Zuidnederlandse Dialectbibliotheek, Den Haag.
Veen, K. van der (2002) West Frisian Dialectology and Dialects. In Handbook of Frisian Studies. Edited by H.H. Munske in collaboration with N. Århammar, V. Faltings, J. Hoekstra, O. Vries, A. Walker and O. Wilts. Max Niemeyer Verlag, Tübingen.Noten

1. Zie inleiding bij deze bundel.