Het Bildts als resultaat van Fries-Hollands taalcontact

Eric Hoekstra & Marjo van Koppen

a 101 DUTCH 2001
(met Marjo van Koppen) Het Bildts als resultaat van Fries-Hollands taalcontact. In D. Boutkan and A. Quak (eds) Language contact. Substratum, superstratum, adstratum in Germanic languages. Amsterdamer Beiträäge zur Alteren Germanistik. Band 54. Rodopi, Amsterdam - Atlanta, 89-106.

1. Inleiding (noot 1)

Het Bildts is een Hollands-Fries dialect dat door zo'n 10.000 sprekers in het Noorden van de provincie Friesland gesproken wordt. Het doel van dit artikel is nader te specificeren wat "Hollands-Fries" in het specifieke geval van het Bildts inhoudt. Wat is "Hollands" aan het Bildts, wat is Fries aan het Bildts, en, om logisch compleet te zijn, wat is aan het Bildts noch Hollands noch Fries? Om die vragen te beantwoorden nemen we in vogelvlucht de grammatica van het Bildts door en vergelijken die met de grammatica's van het Fries en het Hollands. We kiezen als vergelijkingspunt modern Fries en modern Hollands, tenzij we weten dat het Hollandse dialect afwijkt van modern Nederlands; in dat laatste geval spreken we van Hollands dialect. Onder Hollands verstaan we hier informeel gesproken Nederlands zoals dat bij uitstek in de Randstad wordt aangetroffen. Onze gegevens over het Bildts ontlenen we aan Buwalda (1953, 1958, 1960, 1963), aan Buwalda, Buwalda en Van den Burg (1996), aan een in het Bildts vertaalde roman die we op de computer hebben ingescand ("De Sulverne Rinkelbel. 'n Wonderlike history út de leste helt fan de achttynde eeuw, skreven deur Waling Dykstra, in 't Bildts overset deur Hanne Kukken") en aan de Dialectvragenlijsten van het Meertens Instituut. Vervolgens interpreteren we de resultaten van onze vergelijking in het kader van taalcontacttheorie zoals uiteengezet in Van Coetsem (1988) en later werk. (noot 2) Het blijkt dat het Bildts een wat complex geval is. Enerzijds lijkt het Bildts een eenvoudig geval te zijn van tweedetaalverwerving van een Hollands dialect door Friese moedertaalsprekers. Dat verklaart, zoals we uiteen zullen zetten, de grammaticale overeenkomsten met het Fries. Anderzijds is het diminutiefsysteem een unieke ontwikkeling op basis van het oorspronkelijke Hollandse dialect, en zitten er in de woordenschat eveneens typisch Hollandse woorden. We zullen deze tegengestelde tendensen verklaren uit de het immigratiepatroon van het Bildts: er zijn immers zowel Friese als Hollandse moedertaalsprekers heen getrokken dus het resulterend dialect vertoond zowel sporen van Fries als Hollands substraat. Wat verrassend en onverklaard blijft is de specifieke vorm van de mix van Hollandse en Friese elementen.

2. Historische achtergrond

Het is uit de geschiedenis van Friesland bekend dat het Bildts ontstaan is toen de monding van de Middelzee in 1505 werd ingepolderd met behulp van kapitaal en boeren uit Zuid- en Noord-Holland (Buwalda 1960:361, die ook als bron voor de overige informatie in deze sectie dient, tenzij anders aangegeven). Het lagere personeel dat de boeren aantrokken kwam uit Friesland. Een deel van de Hollandse boeren in Het Bildt is in de eerste decennia na de drooglegging van Het Bildt bovendien weggetrokken naar drooggelegde polders elders (Buwalda 1973). De Hollandse immigratie naar Het Bildt was eenmalig. Die vond namelijk plaats op het moment van de inpoldering. De Friese invloed daarentegen was continu, aangezien er voortdurend lichte Friese immigratie uit het omringende gebied naar de kleine Bildtse enclave plaatsvond. Natuurlijk vond er ook Bildtse immigratie in het omringende gebied plaats, maar die leidde, door de getalsmatige verhoudingen, niet tot beïnvloeding van het Fries. We mogen concluderen dat de niet-Friese immigranten getalsmatig in het Bildt een minderheid vormden. Maar dat was dan wel een machtige minderheid, aangezien de boeren in een agrarische economie de dienst uitmaken. In onze tijd telt het Bildt niet meer dan zo'n 10.000 inwoners, verspreid over St. Annaparochie en St. Jacobiparochie en wat kleinere plaatsen. De achternamen van de bewoners van Het Bildt zijn een mix van typisch Friese naast typisch Hollandse namen. Het dialect van het Bildt wordt gewoonlijk tot de Hollandse dialecten gerekend, hoewel tevens het besef leeft dat het Bildts in feite het resultaat is van Fries-Hollands taalcontact. Uit onze vergelijking blijkt dat het Bildts meer op het Fries dan op het Hollands lijkt, wanneer we niet alleen de fonologie maar ook de morfologie en de syntaxis van het Bildts in overweging nemen. In het navolgende gaan we kort in op lexicon, fonetiek en fonologie van het Bildts, waarna we meer uitgebreid morfologie en syntaxis behandelen, die we vergelijken met zowel het Hollands als het Fries. Tenslotte interpreteren we de specifieke typologische positionering van het Bildts tussen het Fries en het Hollands in het kader van de theorie van taalcontact van Van Coetsem (1988) en anderen.

3. Lexicon

In het hedendaagse lexicon (H.S. Buwalda, S.H. Buwalda en van der Burg 1996) vinden we zowel woorden die typisch Fries zijn als woorden die typisch Hollands zijn. We geven enkele voorbeelden die dat illustreren:

Bildts Fries Hollands

krekt krekt net, pas

één ien iemand

(2) Bildts & Nederlands zelfde lexicale item

Bildts Fries Hollands

kynd bern kind

ferliepen ferrûnen verliepen

kikend sjend kijkend

ik bin bra roppig

"ik ben erg hongerig"

de andere offens

"de volgende ochtend"

tun

"tegen"

Voor de Bildts-Friese gevallen geldt dat de overeenkomst te danken kan zijn aan het feit dat het Hollands dialect het verschijnsel ook al had en dat er sprake is van een Fries-Hollandse overeenkomst. Zeker ingeval van Fries-Bildtse overeenkomsten met het Noordholland kan dat voor de hand liggen, aangezien de Noordhollandse dialecten veel eigenschappen met het Fries gemeen hebben (Hoekstra 1994). In zo'n geval dient een Fries-Bildtse overeenkomst niet geanalyseerd te worden als een geval van Friese invloed op het Bildts.

Het gebruik van "bra<bar" is typisch Bildts. "Bar" wordt echter ook in de Hollandse dialecten veel als versterking gebruikt. (noot 3) Deze voorbeelden illustreren onze indruk dat de Bildtse woordenschat zowel Friese als Hollandse woorden bevat. Een uitgebreid onderzoek waarin dat statistisch wordt aangetoond zou hier te ver voeren.

4. Fonetische en fonologische verschijnselen

Het Bildts heeft een aantal fonetische en fonologische verschijnselen met het Fries gemeen. We beperken ons bij onze vergelijking tot het hedendaagse gebruik. We geven een paar voorbeelden, met een Nederlandse vertaling ernaast.

(4) Bildts en Fries vertonen vocalisering van /f/ na lange voorvocalen.

Bildts Fries Hollands

ik skrii(f) ik skriuw ik schrijf

ik gee(f) ik jou ik geef

Deze f-vocalisering vindt plaats in dezelfde omgeving als in het Fries. In Bildts is dit echter niet verplicht zoals in het Fries, waar het verschijnsel reeds lang geleden gelexicaliseerd is.

(5) Bildts en Fries vertonen /d/-uitval in de context: /n/ -- /c/.

Bildts Fries Hollands

tannebussel (toskeboa(r)sel) tandeborstel

winterhannen winterhannen winterhande

In het Fries is "toskeboarstel", de vertaling van "tandeborstel", uiteraard geen kandidaat voor d-uitval. Friese voorbeelden van d-uitval vinden we bijvoorbeeld in "lannen" (landen) en "bannen" (banden). In het Fries heeft dit verschijnsel lang geleden reeds plaatsvonden en is toen gelexicaliseerd. D-uitval vindt in het Bildts plaats na -N voor schwa, net als in het Fries. Dit komt echter ook vrij algemeen in Hollandse dialecten voor.

(6) Bildts en Fries vertonen /r/-uitval

Bildts Fries Hollands

pee(r)deblom (hynsteblom) paardebloem

kattesteat kattestu(r)t kattestaart

smeerwuttel woa(r)tel wortel

tannebussel toskeboa(r)stel tandeborstel

De uitval van R vindt in het Bildts plaats voor dentalen (d, t, s, l), precies dezelfde omgeving waar zulks in het Fries plaatsvindt (ook vermeld door Buwalda 1963:18-20). De vertaling van "paardebloem" in het Fries, "hynsteblom", staat tussen haakjes aangezien het geen potentiële kandidaat voor r-uitval is. (noot 4)

Uitvoerige beschrijvingen van de fonologie van het Bildts ontbreken. Aan de ene kant is de lange aa gewoon nog in het Bildts aanwezig, al klinkt ie wat donkerder dan in het Hollands. Aan de andere kant heeft het Bildts als overgangsklank in "koeien" geen J maar een W. Net als in het Fries heeft het Bildts aan het begin van het woord niet de stemhebbende fricatieven: /z, v, g/ (Buwalda 1963:18). Het zou ons niet verbazen als dat in het oude Zuidhollands ook al zo was, aangezien Zuidhollands steeds meer eigenschappen met Noordhollands gemeen heeft naarmate we verder in de tijd teruggaan (Heeroma 1935). In de dialecten van Noordholland, waar ook immigranten vandaan kwamen, ontbreken /z,v,g/ zelfs nu nog aan het begin van het woord (Pannekeet 1995:106). Het Zuidhollands is door de stadsvorming aldaar sterker veranderd dan bijvoorbeeld het West-Fries van Noord-Holland. We hebben in zijn algemeenheid het probleem dat we bij een Bildts-Friese overeenkomst niet weten of die overeenkomst onder invloed van het Fries tot stand is gekomen of dat ie er in het oude Hollands van de immigranten al was. We kunnen dat niet nagaan aangezien er in de voorgaande eeuwen geen dialect werd geschreven.

Noch Hollands noch Fries maar wel Bildts is het optreden van K in plaats van stemhebbende dentale explosieven, zoals ook in "maaik" voor "made" (Fries "maits"). Eveneens uniek lijken de G-vormen die op de plaats van een stemloze dentale explosief komen in enkele woorden. Beide processen lijken gerelateerd:

(7) Incidentele K/G corresponderend met dentale explosieven in Fries en Hollands

Bildts Fries Hollands

broeinekel broeinettel brandnetel

dovenegel dôvenettel dovenetel

broeinegel broeinettel broeinetel

Een gedetailleerd onderzoek van de fonologie van het Bildts is wenselijk.

5. Morfologie

5.1. Tussenklanken in samenstellingen

Het diminutieve achtervoegsel kan als verbindingsmorfeem optreden in samenstellingen in het Fries en het Bildts:

(8) Het onbeklemtoonde verbindingsmorfeem -sy / -je

Bildts Fries Hollands

goudsyblom goudsjeblom goudsbloem

Ook "goudsjeblom", wellicht een Fries leenwoord, wordt trouwens opgegeven in Het Bildt. In onbeklemtoonde lettergrepen vinden we in het Bildts dus typisch Friese verschijnselen, zoals we ook in andere gevallen nog zullen zien. In het Hollands komt het net besproken verschijnsel nauwelijks voor.

Het achtervoegsel -ERS kan eveneens als verbindingsmorfeem in samenstellingen optreden, ook een typisch Fries verschijnsel (zie Jarich Hoekstra 1998:44):

(9) Het onbeklemtoonde verbindingsmorfeem -ERS

Bildts Fries Hollands

ôfwassersgoed ôfwaskersguod afwasspul

tannepoetsersgoed toskeboarsteldersguod tandepoetsspul

rúkkersgoed rûkersguod (een geurtje)

Dit verschijnsel komt ook in het Westfries van Noordholland voor en dat kan hebben bijgedragen aan het ontstaan in het Bildts. Het is trouwens ook in het Fries van Helgoland en andere Noordfriese eilanden te vinden.

5.2. Nominalisaties op -ENS

Het Bildts kent nominalisaties van adjectieven met behulp van het suffix -ENS:

(10) Bildts Fries Hollands

onnoazelens ûnnoazelens onnozelheid

benaudens benaudens benaudheid, angst

fersichtigens foarsichtigens voorzichtigheid

Deze ENS-nominalisaties komen eveneens in het Fries voor, maar niet in de Hollandse dialecten (cf. Fokkema 1957/1969).

5.3. Cliticum derde persoon enkelvoud

Het cliticum derde persoon enkelvoud mannelijk, een licht beklemtoond element, is -IE in het Bildts.

(11) Cliticum derde persoon enkelvoud mannelijk

Bildts Fries Hollands

-IE -ER -IE

Het optreden van dit clitic is weer een herinnering aan de Hollandse wortels van het Bildts.

5.4. Meervoud van naamwoorden

Het meervoud van zelfstandige naamwoorden is in het Bildts op -N, net als in het Fries.

(12) Regelmatig meervoud van zelfstandige naamwoorden

Bildts Fries Hollands

-N -N -E

winterhannen winterhannen winterhande

mannen mannen manne

In het Hollands heeft een ontwikkeling naar -E, gespeld -EN, plaatsgevonden (Schönfeld / Van Loey 1970: 114-115). Het Bildts heeft echter dezelfde uitgang als het Fries.

Het Friese onregelmatige meervoud is in het Bildts soms wel soms niet te vinden:

(13) Onregelmatige meervouden

Bildts Fries Hollands

foetbalskoenen fuotbalskuon voetbalschoenen

sailskippen seilskippen zeilschepen

Bij "schoenen" gaat het Bildts met het Hollands mee, bij "skippen" met het Fries.

5.5. Geen zwakke -JE vervoeging

Het Fries heeft twee klassen van zwakke werkwoorden. Naast het normale type is er nog een klasse waarvan de infinitief op -JE uitgaat. De verbuiging van beide klassen is hieronder gegeven (Tiersma 1985:68ff):

(14) Fries: -JE vervoeging

rûke "smell" (-JE) helje "fetch" (+JE)

ott

1s rûk helje

2s rûkst hellest

3s rûkt hellet

pl rûke helje

ovt

1s rûkte helle

2s rûktest hellest

3s rûkte helle

rûkten hellen

voltooid deelwoord

rûkt (hawwe) helle (hawwe)

Het is opmerkelijk dat de gehele -JE buiging afwezig is in het Bildts, zoals trouwens ook in het Stadsfries.

5.6. Voltooide deelwoorden van onregelmatige werkwoorden

De onregelmatige voltooide deelwoorden in het Bildts lijken meer op het Hollands dan op het Fries, zoals blijkt uit de lijst gegeven in Buwalda, Buwalda en Van der Burg (1996:xxiii). Enkele voorbeelden worden hieronder gegeven:

(15) Bildts Fries Hollands

bedrogen bedragen bedrogen

befoalen befelle bevolen

braden bret gebraden

broken brutsen gebroken

bleven bleaun bleaun

We kunnen de observatie echter scherper stellen. Waar het gaat om lexicale eigenaardigheden zoals de vorm van de stamklinker zien we dat het Bildts op het Hollands lijkt. Waar het gaat om systematische eigenschappen lijkt het Bildts echter meer op het Fries. Immers, net als in het Fries is het voorvoegsel GE- altijd afwezig. (noot 5) En net als in het Fries eindigt een voltooid deelwoord van een sterk werkwoord nooit op -E, terwijl dat in het Hollands de normale (hoewel anders gespelde) uitgang is.

6. Syntaxis

6.1. Selectie van infinitief op -E of -N

Zoals bekend is heeft het Hollands maar één infinitiefuitgang, namelijk die op schwa, met als uitspraakvariant -EN. In het Hollands is de keus tussen -E of -EN echter nooit syntactisch gemotiveerd geweest, maar waren -E en -EN een tijdlang in vrije fonologische variatie (Schönfeld / Van Loey 1970: 114-115). Het Fries heeft daarentegen twee infinitieven, één op -N en één op -E, waarvan de distributie syntactisch geconditioneerd wordt. Interessant is nu dat het Bildts ook twee infinitieven heeft, eveneens op -N en op -E. De distributie van de beide soorten wordt bepaald door het regerend of selecterend werkwoord. We zullen nu systematisch de verschillende soorten van regerend werkwoord bij langsgaan.

A. We nemen eerst infinitieven die geregeerd worden door een modaal hulpwerkwoord zonder TE. In dat geval heeft het Fries de E-infinitief. Het Bildts heeft daar ook de E-infinitief: In de hieronder gegeven voorbeelden is de eerste zin steeds Bildts, de tweede Fries.

(16) Modale hulpwerkwoorden

a. Ik sil even doese (Bildts)

b. Ik sil eefkes doese (Fries)

c. Ik zal even douchen (Hollands)

(17) a. Se wil 't opkrije (Bildts)

b. Se wol it opkrije (Fries)

c. Ze wil het oppakken (Hollands)

B. Het werkwoord voorafgegaan door TE heeft de uitgang -N in Bildts en Fries.

(18) Te-infinitieven

a. om de krant te lezen (Bildts)

b. om de krante te lêzen (Fries)

c. om de krant te lezen (Hollands)

(19) a. 't Begint nag harder te waaien (Bildts)

b. 't Begjint noch hurder te waaien (Fries)

c. Het begint nog harder te waaien (Hollands)

C. Gewone citatieinfinitieven, dus zonder verdere syntactische context, gaan uit op schwa.

(20) Citatieinfinitieven

a. fon sien stokje falle (Bildts)

b. fan syn stokje falle (Fries)

c. van zijn stokje vallen (Hollands)

D. Perceptiewerkwoorden nemen de infinitief op -N:

(21) Perceptiewerkwoorden

a. flak naast hur saag se Sjoerd weer lêggen (Bildts)

b. flak nêst har seach se Sjoerd wer lizzen (Fries)

c. vlak naast zich zag ze Sjoerd weer liggen (Hollands)

(22) a. dat men in sokke nachten 'n ouwe frou roepen hoort (Bildts)

b. dat men yn sokke nachten in âlde frou roppen heart (Fries)

c. dat men in zulke nachten een oude vrouw hoort roepen (Hollands)

E. Causatief werkwoord "laten" neemt de infinitief op -E:

(23) Causatief werkwoord "laten"

a. dat te goed is om lê te laten (noot 6) (Bildts)

b. dat te goed is om lizze te litten (Fries)

c. dat te goed is om te laten liggen (Hollands)

F. Genominalizeerde werkwoorden op -N:

(24) Genominaliseerde werkwoorden

a. 'n kranksinnig lachen (Bildts)

b. in kranksinnich laitsjen (Fries)

c. een krankzinnig lachen (Hollands)

(25) a. 'n akelik gulen en roepen (Bildts)

b. in aaklik gûlen en roppen (Fries)

c. een akelig huilen en roepen (Hollands)

G. Hulpwerkwoord doen bij vooropplaatsing van infinitief neemt -E

(26) Hulpwerkwoord doen bij vooropplaatsing van infinitief

a. bútsoeke daan se niet meer (Bildts)

b. bútsykje dienen se net mear (Fries)

c. buit zoeken deden ze niet meer (Hollands)

De distributie van de beide infinitieven is typisch Fries. Het is zeker dat Zuidholland die nooit gehad heeft. Zo'n complex verschijnsel kan niet bij handelscontact overgedragen worden, in tegenstelling tot lexicale ontleningen die wel zo kunnen worden overgedragen. De aanwezigheid van deze infinitieven in het Bildts geeft aan dat er Fries substraat aanwezig is, dus dat Friese moedertaalsprekers invloed op de grammatica van het Bildts hadden doordat zij dat als tweede taal probeerden te spreken.

Aan de andere kant is aangetoond dat Westfriesland tot in deze eeuw nog twee infinitieven had met dezelfde distributie als in het Fries (Hoekstra 1994). Aangezien de Bildtse immigranten ook van Wieringen en Westfriesland afkomstig waren, heeft dat het ontstaan van dezelfde infinitieven in het Bildts natuurlijk bevorderd.

6.2. Persoonsnominalisaties van adjectieven

Persoonsnominalisaties van adjectieven krijgen in het Fries een -N uitgang gevolgd door de opvuller ien, vergelijk one in het Engels. Dat is in het Bildts ook zo:

(27) Persoonsnominalisaties van adjectieven

Bildts Fries Hollands

in fullen een 'n fûlen ien een fanatiekeling, een felle

In het Hollands treedt daar de schwa op, zonder een volgend woord, of er wordt, en dat is typisch voor standaardtalen, een reeds bestaand woord uit het veel grotere lexicon gezocht.

6.3. Infinitivus-pro-Participio effect

Voltooide deelwoorden hebben geen GE- in het Bildts en het Fries, zo merkten we eerder reeds op. Wellicht daarmee samenhangend (zie Hoekstra 1997b) ontbeert het Bildts net als het Fries het zogenoemde Infinitivus-pro-Participio effect. Een en ander is hieronder geïllustreerd:

(28) Bildts

a. Ik hew hur bij de lâdder opklauwen hoord

b. Hij het mij gusteraven 'n klain kynd bringe laten

(29) Fries

a. Ik hew har by de ljedder opkliuwen heard

b. Hij hat mij justerjûn in lyts bern bringe litten

(30) Hollands

a. Ik heb haar bij de ladder horen opklimmen

b. Hij heeft mij gisteravond 'n klein kind laten brengen

In het eerste paar voorbeelden, uit het Bildts, treffen we de voltooide deelwoorden "hoord" en "laten" aan. In het Fries vinden we de voltooide deelwoorden "heard" en "litten". In het Hollands daarentegen treden de infinitieven "horen" en "laten" op in plaats van de te verwachten deelwoorden. De werkwoordsvolgorde is in het Bildts ook hetzelfde als in het Fries.

6.4. Tweede persoon enkelvoud op -ST in Bildts en Fries.

Het werkwoord tweede persoon enkelvoud gaat in het Bildts en het Fries uit op -ST, en in beide gevallen kan het persoonlijk voornaamwoord achterwege blijven (wat in het ABN niet mogelijk is):

(31) a. Hest hur nou froegen at se komme (Bildts)

b. Hast har al frege oft se komme (Fries)

c. Heb je haar al gevraagd of ze komen (Hollands)

Ook deze uitgang kan indertijd nog bestaan hebben in Zuidholland en Noordholland maar dat is niet te onderzoeken aangezien de geschreven documenten de schrijftaaltraditie reflecteren, net zoals officiële Hollandse documenten uit Friesland uit de zestiende en zeventiende eeuw ons bijna niks vertellen over het Fries.

6.5. Meervoud van werkwoorden

De uitgang van de werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd is in die zin hetzelfde dat de ott in het meervoud altijd op -E uitgaat, behalve bij een handjevol monosyllabische werkwoorden, en dat de verleden tijd op -N uitgaat:

(32) Ott meervoud

a. Wy sitte mooi fooran in de stroom (Bildts)

b. Wy sitte moai foaroan yn 'e stream (Fries)

c. Wij zitten mooi vooraan in de file (Hollands)

(33) Ovt meervoud

a. Jaren ferliepen (Bildts)

b. Jierren ferrûnen (Fries)Jaren verliepen (Hollands)

6.6. Tijdsbepalingen

Het Fries voegt aan enkele tijdsbepalingen voorafgegaan door de een -S toe, zoals dyselde deis.

(34) -S in uitdrukkingen van tijd

a. de andere offens (Bildts)

b. de oare moarns (Fries)

c. de volgende ochtend (Hollands)

Zoals uit deze voorbeelden blijkt komt dat ook in het Bildts voor.

6.7. Infinitiefcluster met TE

Infinitiefcluster met TE heeft hoofdfinale volgorde:

(35) Werkwoordscluster met TE

a. Se had d'r sin an om slapen te gaan (Bildts)

b. Se hie der sin oan om sliepen te gean (Fries)

c. Ze had er zin in om te gaan slapen (Hollands)

In ouder Fries was de (b) zin onmogelijk vanwege selectierestricties op het werkwoord "gaan", dat zich (als er geen TE was) alleen met "zitten/liggen/staan/hangen" mocht verbinden. Bij niet in het Fries geschoolde sprekers zijn onder invloed van het Nederlands zinnen als (b) alomtegenwoordig. (noot 7)

6.8. Betrekkelijk voornaamwoord met clitisatie van "dat"

(36) Betrekkelijk voornaamwoord met clitisatie van "dat".

Bildts Fries Hollands

die't dy't die

Het Bildts vertoont net als het Fries clitisatie van voegwoord "dat>'t" op het betrekkelijk voornaamwoord. Dat moet wel als typisch Fries worden aangemerkt en is bij ons weten noch voor Zuid noch voor Noordholland ooit geattesteerd.

6.9. Gebruik van "al" voor "als"

Een typisch Zuidhollands verschijnsel dat we eveneens in het Bildts aantreffen is het gebruik van "al" voor "als", waar Van Bree & Van der Hee (in voorbereiding) onderzoek naar gedaan hebben.

(37) Gebruik van "al" voor "als" met werkwoord aan begin van de zin in het Bildts:

Alle dagen sat se út te sien over de Noord en saag de groate sailskippen achteran,

die't feer om 'e Noord ferbijfoeren, krekt al most Sjoerd dêr weer met thúskomme.

"Elke dag zat ze uit te kijken over de Noord en keek de grote zeilschepen na, die ver om

de Noord voorbij voeren, net alsof Sjoerd daar weer mee thuis moest komen."

In het Hollands en het Fries komt "al" alleen met concessieve betekenis voor. Voor Noordholland is een dergelijk verschijnsel echter ook al door Langedijk (1971) gesignaleerd.

7. Het Bildts als resultaat van Fries-Hollands taalcontact

7.1. Overzicht van de vergelijking tussen Bildts en Fries

Syntaksis, morfosyntaksis en fonetiek zijn sterk Fries. Voor de syntaksis wijzen we op de infinitiefuitgangen -E en -EN, adjectivale flectie, en dergelijke. Voor de fonetiek valt te wijzen op de conteksten voor uitval van /r/, van /d/ en van /f/. Tevens wijzen we op de door Buwalda (1963:18) vermelde afwezigheid van /v/ en /z/ aan woordbegin, net als in het Fries. In de woordenschat vinden we veel Hollands, bijvoorbeeld bij veel voorkomende woorden als "kynd", Fries "bern". Ook het cliticum - IE bestaat in het Bildts evenals in het Zuidhollands, terwijl het Fries ER heeft. In de derivationele morfologie dringt het Fries door met het -ERS morfeem in samenstelling. Opvallend afwezig zijn de werkwoorden op -JE en hun vervoeging. In de fonologie vinden we veel Hollands, zoals de -AA- van "skaap" waar het Fries "skiep" heeft.

Het volgende schema geeft een overzicht van onze bevindingen, en vergelijkt die met de bevindingen van Van Bree (1994) voor wat betreft de positie van het Stadsfries:

(38) Bildts Cf. Stadsfries

Fonologie van lexicon Holl (Fr) Holl

Lexicon Fries/Holl Fries/Holl

Morfologie van onregelmatige vormen Hollands Hollands

Morfologie van conversie, e.d. Fries (Holl) Fries

Fonetiek Fries Fries

Inflectionele morfologie Fries Fries

Syntaxis Fries (Holl) Fries

Vermelding tussen haakjes geeft aan dat iets in veel mindere mate het geval is. Zo hebben we in dit artikel feitelijk de intuïtive indruk van Buwalda (1960:361) hardgemaakt, die opmerkt dat de struktuur, de sinsbouw van het Bildts Fries is.

7.2. Verklaring van Bildts-Friese overeenkomsten uit taalcontacttheorie

Dit alles wijst, uitgaande van de taalcontacttheorie van Van Coetsem (1988) (zie ook Hoekstra 1994, 1997a), er op dat het Bildts het resultaat is van het aanleren van Zuidhollands (en Noordhollands) dialect door Friese moedertaalsprekers. Fonologie en woordenschat zijn grotendeels als tweede taal verworven door Friese moedertaalsprekers. Syntaxis, fonetiek en morfologie van onbeklemtoonde elementen zijn overgedragen uit de Friese moedertaal op het Hollands, het "Proto-Bildts".

Het plaatje van Het Bildts lijkt sterk op dat van het Stadsfries. Ook daar zijn syntaxis, fonetiek, inflectionele morfologie en de betekenisdragende morfologie Fries, terwijl de fonologie en de onregelmatige werkwoorden Hollands zijn. Uitgaande van Van Coetsem concludeert Van Bree dat het Stadsfries ontstaan is doordat moedertaalsprekers van het Fries het Hollands probeerden te verwerven.

Blijkbaar is de fonologie van lexicale items en de derivationele morfologie de plek die in een vreemde taal het makkelijkst wordt aangeleerd: dat zou verklaren dat het cliticum IE is aangeleerd, en de vervoeging van zwakke JE-werkwoorden is afgeleerd. Nu zijn JE-werkwoorden erg produktief in het Fries. Dat JE-werkwoorden het taalcontact niet overleefden bewijst dat het bij taalcontact niet zo is dat de produktiefste verschijnselen "overleven". Een dergelijke hypothese gaat trouwens ook voorbij aan de asymmetrische verhouding die er tussen de contacttalen bestaat: de ene taal is de doeltaal/statustaal, de andere taal is de moedertaal/stigmataal. Het gaat bij taalcontact dus niet alleen om de aard van het taalverschijnsel maar ook om de oorsprong van het taalverschijnsel. (noot 8)

De JE-werkwoorden zijn ook in ander opzicht van belang voor de bewijsvoering ten aanzien van de oorsprong van het Bildts. De JE-werkwoorden zijn namelijk eveneens verdwenen uit het Gronings en het Stadsfries. In deze beide gevallen zijn we er vrij zeker van dat het Fries de moedertaal was. Het feit dat de JE-werkwoorden eveneens uit het Bildts verdwenen zijn wijst erop dat ook daar het Fries de moedertaal was. We vermeldden eerder dat het Bildts ook een aantal andere eigenschappen gemeen heeft met het Stadsfries. Niet alleen verdwenen in het Stadsfries de JE-werkwoorden, maar ook daar bleef de -ST uitgang er intact, bleef de werkwoordsvolgorde hetzelfde als in het Fries, bleef het voltooide voorvoegsel GE- achterwege, enzovoorts. Deze overeenkomsten tussen het Bildts en het Stadsfries verklaren we met Van Coetsem zijn theorie op uniforme wijze: zowel bij het Stadsfries als bij het Bildts was het Fries voor de meeste sprekers de moedertaal, en zodoende werd de derivationele morfologie van de tweede taal, het Hollands, aangeleerd, maar bleef de morfosyntaxis van de moedertaal, het Fries, grotendeels intact.

7.3. Bespreking van de Bildts-Friese verschillen

Toch is het Bildts niet helemaal een standaardgeval van Friese moedertaalsprekers die overstappen op een tweede taal. Taalkundig komt dat tot uiting in wat geringe verstoringen van het beeld dat we schetsten. Ten eerste is er ook in de syntaxis wat Hollands substraat. We doelen hierbij op de AL-constructie met conditionele betekenis. Die komt in Zuidholland voor en in het Bildts, maar is nog nooit voor het Fries gerapporteerd, overigens wel voor het Westfries (Langedijk 1969). Ten tweede vertoont het diminutiefsysteem van het Bildts zowel Hollandse invloed als autonome ontwikkeling. Het beeld is niet zomaar uit onvolledige tweedetaalverwerving te verklaren. De verschillen met het Stadsfries springen in het oog. Eén en ander wijst erop dat er bij de vorming van het Bildts ook een geringe invloed van Hollandse moedertaalsprekers is geweest. Maar dat strookt compleet met wat we van de immigratie naar het Bildt weten! Er zijn immers zowel Friezen als Hollanders heen getrokken. Wat aangetoond moet worden is dat de Hollandse migratie getalsmatig veel minder was dan de Friese migratie naar het Bildts.

7.4. Immigratie naar en emigratie uit Het Bildt.

Het is niet verwonderlijk dat het Bildts er zo Fries uitziet. Getalsmatig vormden de Bildtkers een kleine groep (zelfs in onze tijd 10.000 sprekers). Er is maar één keer sprake geweest van Hollandse migratie maar eeuwenlang van Friese immigratie. Bovendien was er een voortdurende beïnvloeding van Bildtse moedertaalsprekers door hun Fries dat ze als tweede taal kenden.

Uit de quotisatiekohieren van 1749 (Nieuwland 1980) komt Het Bildt als armste grietenij naar voren. Nieuwland noemt het trekken van conclusies uit deze kohieren echter "erg riskant". Buwalda (1973) geeft een overzicht van de emigratie van Bilkerts, dus het wegtrekken uit Het Bildt, wat ook niet tot behoud van Hollands of Bildts dialect heeft bijgedragen. De immigratie begon na 1506. De emigratie begon een eeuw later. "De jonge droogmakerijen in Noord-Holland he 't fooral weest die't Bilkerts trokken." Daarna zijn er ook Bilkert geëmigreerd naar Pruisen, vlak na de tachtigjarige oorlog. Ook bij recentere landwinningen zijn er Bilkerts geëmigreerd.

We mogen dus concluderen dat de Hollandse invloed getalsmatig niet erg groot was. Het Hollands ontleende zijn invloed vooral aan de hogere status van de Hollandse migranten. Zij behoorden immers tot de invloedrijkste klasse, namelijk de boeren. Daarna is door de interactie van Hollanders en Friezen het Bildts ontstaan, wat vervolgens door veel Friese migranten als tweede taal is geleerd, met de daarmee samenhangende projectie van Friese morfosyntaxis in het Bildts. Met name het infinitiefsysteem, dat identiek is aan het Fries, toont aan dat de invloed van Friese moedertaalsprekers groot moet zijn geweest.

8. Conclusie

We zien hoe de typologische eigenschappen van het Bildts zich laten verklaren uit de theorie van taalcontact. Bildts is overwegend een geval van tweedetaalverwerving van het Hollands (en / of oudste Bildts) door Friestaligen. Daardoor is het Hollands substraat in de morfologie en syntaxis, wat in het oudste Bildts veel sterker aanwezig moet zijn geweest, in de loop der eeuwen weggesleten. In feite hebben we dus met behulp van taalcontacttheorie gebaseerd op morfosyntactische feiten aangetoond wat Wobbe de Vries reeds in 1927 beweerde (1927:205), namelijk dat het Bildts beschouwd mag worden als door Friezen van Hollandse kolonisten overgenomen Hollands. "Aanvankelijk was de streek tweetalig, maar mettertijd namen de Friezen de Hollander-taal over."

Bibliografie

Bree, C. van (1994) "Het probleem van het ontstaan van het Stadsfries in verband met nieuwe talen in contact-theoriën". Handelingen Regionaal Colloquium Neerlandicum, Wroclaw. (Acta Universitatis Wratislaviensis).

Bree, C. van & Jeroen van der Hee (in voorbereiding) "Conditioneel al. Historisch en regionaal." Plaats van verschijnen nog onbekend.

Buwalda, Hotze Sytzes (1953) "Fan de Bildtse groond". Drukkerij Van Leer & De Jong, St. Annaparochie.

Buwalda, Hotze Sytzes (1958) "De diminutiva yn it Bildts". Us Wurk 7, 62-65.

Buwalda, Hotze Sytzes (1960) "Over de verba in 't Bildts". In K. Dykstra, K. Heeroma, W. Kok en H.T.J. Miedema (red.) "Fryske Stúdzjes oanbean oan Prof. Dr. J.H. Brouwer op syn sechtichste jierdei 23 augustus 1960". Van Gorcum, Assen, 361-370.

Buwalda, Hotze Sytzes (1963) "Hoe skrive wy 't in 't Bildts? 'n Handlaiding foor de spelling, en inkele dingen út 'e spraakkûnst". Drukkerij Van Leer & De Jong, St.-Annaparochie.

Buwalda, Hotze Sytzes (1973) "Emigrasy fan Bilkerts." It Beaken 35, 40-43.

Buwalda, Hotze Sytzes, S.H. Buwalda en A.C.B. van der Burg (1996) "Woordeboek fan t Bildts. En list fan toponimen". Fryske Akademy, Ljouwert.

Coetsem, F. van (1988) "Loan Phonology and the Two Transfer Types in Language Contact". Foris, Dordrecht.

Fokkema, K. (1957/1969) "Het Friese suffix -ens bijabstracta". It Beaken 9, 194-197. Herdrukt in K. Fokkema (1969) "Nei wider kimen. Kar út syn fersprate skriften". Wolters-Noordhoff, Grins, 110-113.

Heeroma, K. (1935) Hollandse Dialektstudies. Dissertatie, Leiden. Wolters, Groningen.

Hoekstra, E. (1994) "Oer de oerienkomsten tusken de dialekten fan Noard-Hollân en it Frysk." Ph.H. Breuker, S. Dyk, D. Gorter, L.G. Jansma en W. Visser (red) "Philologia Frisica anno 1993". Fryske Akademy, Ljouwert, 81-103.

Hoekstra, E. (1997a) "Oer de oerienkomst tusken de dialekten fan Grinslânsk en it Frysk." In Ph. Breuker, S. Dyk, L. Jansma, W. Visser & J. Ytsma (redaksje) "Philologia Frisica anno 1996". Fryske Akademy, Ljouwert, 117-137.

Hoekstra, E. (1997b) Analysing Linear Asymmetries in the Verb Clusters of Dutch and Frisian and their Dialects. In D. Beerman, D. LeBlanc & H. Van Riemsdijk (eds) Rightward Movement. John Benjamins, Amsterdam (1997), 153-169.

Hoekstra, Jarich (1998) "Fryske Wurdfoarming". Fryske Akademy, Ljouwert.

Langedijk, H. (1971) "Hé, is dat Westfries?" Uitgeverij en drukkerij West-Friesland, Hoorn. Onder auspiciën van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland.

Nieuwland, P. (1980) "De Quatisatiekohieren. Namen, beroepen en welstand van de Friese bevolking in 1749. Deel 1. Achtkarspelen, AEngwirden, Baarderadeel, Barradeel, Het Bildt, Bolsward". Fryske Akademy, Ljouwert/Leeuwarden.

Pannekeet, Jan (1995) "Het Westfries. Inventarisatie van dialectkenmerken". Stichting Uitgeverij Noordholland, Wormerveer.

Schönfeld, M. / A. van Loey (1970) "Schönfeld's Historische Grammatica van het Hollands". W.J. Thieme, Zutphen. Achtste druk.

Tiersma, P.M. (1985) Frisian Reference Grammar. Foris, Dordrecht.

Vries, W. de (1927) "Zijn Bildts en Vriezenveens ontstaan doordat Friezen van taal veranderden?" Tijdschrift voor Hollandse Taal- en Letterkunde 46, 198-209.

Wolf, H. (1996) Structural neutrality in Frisian-Dutch interaction. Us Wurk 45: 125-138.

Noten

1. Een eerdere versie van dit artikel is gepresenteerd op het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy, Ljouwert (Leeuwarden), 30 januari 1999. We bedanken de aanwezigen voor hun vragen, en we bedanken Dirk Boutkan, Siebren Dyk en Arjan Versloot voor hun commentaar op een eerdere versie van dit stuk. De auteursnamen staan in alfabetische volgorde.

2. Van Bree (1994) heeft deze methode op het Stadsfries toegepast en verkreeg als resultaat dat Stadsfries ontstaan is als poging van moedertaalsprekers van het Fries om Hollands als tweede taal te verwerven. Zie ook Hoekstra (1994, 1997a) die respectievelijk het Westfries en het Gronings analyseert als gebaseerd op tweedetaalverwerving door Friese moedertaalsprekers.

3. Bildts heeft trouwens ook dubbelvormen zoals aan het volgende voorbeeld te zien is. Typerend is dat dan de ene vorm Fries is, de andere Hollands:

(i) tosken / tannen, vergelijk Fries tosken, Hollands tande

4. Merk op dat de /r/-uitval, hoewel systematisch en niet-optioneel, niet orthografisch wordt weergegeven in het Fries; ter verduidelijking hebben we de gespelde maar niet uitgesproken R in de Friese voorbeelden tussen haakjes geplaatst.

5. We weten niet of GE- in het Zuid-Hollands bestond in de tijd dat boeren naar Het Bildt emigreerden, of was afgezwakt tot -e. Het heeft geen zin om Middelnederlandse teksten te bekijken aangezien die voornamelijk schrijftaalnormen reflecteren. We rekenen de distributie van het voorvoegsel GE- tot het domein van de syntaxis, aangezien het optreden of niet optreden van GE- ten dele contextueel beregeld wordt, bijvoorbeeld in Infinitivus-pro-Participio constructies. Een voorbeeld hiervan is:hij had willen komen, in plaats van: * hij had gewild komen.

6. Het woordenboek geeft "lêgen" als vorm van de infinitief op -N, zoals in het volgende voorbeeld: "wat geld (te) lêgen hewwe". De vorm "lêge" kan optioneel verkort worden tot "lê"; beide vormen kunnen zowel in het woordenboek van het Bildts worden aangetroffen als in de door ons ingescande Bildtse roman "De Sulverne Rinkelbel". Het is niet duidelijk of "lêgen" ook verkort kan worden tot "lên". We hebben die vorm althans niet in het woordenboek gevonden, noch in "De Sulverne Rinkelbel".

7. Het Fries van jongere, niet in het Fries geschoolde sprekers heeft een aantal veranderingen ondergaan ten aanzien van het Standaard Fries. Dit zogenaamde Interferentiefries is nog nauwelijks onderzocht (maar zie Wolf 1996).

8. In dit verband is het niet verbazingwekkend dat de ST-uitgang in het Bildts bestaat voor de tweede persoon enkelvoud: die valt immers onder de morfosyntaxis, maar zou destijds in Zuidholland nog bestaan kunnen hebben? De Middelnederlandse schrijftaaltraditie vertelt ons hierover niets want die is op Zuidnederlandse (Vlaamse, Brabantse en Limburgse) dialecten gebaseerd. In elk geval bleef ook in dat andere product van Fries-Hollands taalcontact, het Stadsfries, de -ST uitgang intact.

( ehoekstra@fa.knaw.nl )