Grammaticale functies van -E en -EN in het Westfries en het Fries en taalcontactgestuurde veranderingen

Eric Hoekstra

Summary

In this article I investigate the phenomenon of the multifunctionality of grammatical morphemes, on the basis of facts from Dutch, Frisian and the West-Frisian dialect of the province of North Holland. Such grammatical morphemes exhibit unexpected phonological constraints. Oddly enough, West-Frisian exhibits "double marking" of locative adverbs after prepositions. To account for this, a language-contact scenario is proposed for West-Frisian, according to which the relevant West-Frisian facts are explained as the result of applying both a Dutch rule and a Frisian rule for locative adverbs.

1. Iets over grammaticale multifunctionaliteit van woorden en woorddelen (1)*

Natuurlijke talen hebben de neiging om één fonologisch element, woord of woorddeel, vele grammaticale functies te laten dragen. Dit geldt in het ABN bijvoorbeeld voor het woord "er", dat immers een enorme hoeveelheid functies draagt. Het register van de ANS onderscheidt maar liefst 8 soorten "er". "Er" fungeert onder andere:

- als voornaamwoord bij voorzetsels "ik stem er-op",

- als bijwoord van plaats "ik woon er",

- als voornaamwoord bij telwoorden "ik heb er drie",

- als voornaamwoord bij onbepaald onderwerp "er loopt iemand op straat".

Deze multifunctionaliteit is echter niet tot "er" beperkt, maar komt bij grammaticale woorden of woorddelen veel meer voor, ook in andere talen dan het Nederlands.

Toen ik mijn scriptie schreef over het Jacaltec, bleek in die taal het suffix -NI verschillende functies te dragen, waaronder die van nevenschikkend voegwoord, markeerder van een bevraagd subject in een transitieve zin, en infinitiefmarkeerder, zie Craig (1977), Hoekstra (1985).

Een derde voorbeeld van een multifunctioneel grammaticaal element is de schwa. In het ABN, zowel in de formele spreektaal als in het informele register, worden de geschreven -E en de geschreven -EN aan woordeinde doorgaans uitgesproken als -E (schwa) (De Schutter 1997:354 en anderen). Het uitspreken van de geschreven N lijkt vooral met een poging tot een hoog stijlregister samen te hangen. We kunnen de combinatie van schwa en -N aan het woordeinde dus beschouwen als een fonologische variant van de schwa.

De schwa zelf is een buitengewoon interessante klank. Niet alleen omdat de schwa de enige klinker is die bij uitstek in klemtoonloze contexten voorkomt (voor een overzichtsartikel over de fonologie van de schwa, zie Van Oostendorp 1998), maar ook en vooral, vanuit syntactisch standpunt, omdat de schwa een veelheid aan grammaticale functies draagt. Zo markeert de schwa in het ABN, zonder dat we in details willen treden:

- de buiging van prenominale adjectieven bijvoorbeeld zoals in "grotE boeken" naast "een groot boek"

- infinitieven zoals bijvoorbeeld in "ik ga slapE" naast "Slaap!" (2)

- de verleden tijd meervoud van sterke werkwoorden zoals in "we liepE" naast "ik liep" (3)

- de tegenwoordige tijd meervoud van bijna alle werkwoorden (behalve weer de vijf die op -N uitgaan) zoals in "we lopE" naast "ik loop"

- het meervoud van een grote deelverzameling van zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld "balkE" naast "balk".

Natuurlijke taal lijkt dus een tendens te hebben om bepaalde woorden of woorddelen een veelheid aan grammaticale functies te laten dragen.


2. Fonologische aspecten van grammaticale multifunctionaliteit

Wanneer we de fonologische eigenschappen van dergelijke woorden of woorddelen (ik zal over beide generaliserend spreken als grammaticale functie-items) voor het ABN nader analyseren, dan vallen ons twee generalisaties op, één over de klinkers en één over de medeklinkers. Hieronder volgt eerst de klinkergeneralisatie, waarbij ik alleen de fonologische vorm van de functie-items geef, zonder de functies zelf, die hier niet ter zake doen, te specificeren:

Klinkergeneralisatie functie-items

Functie-items bevatten vaak een schwa.

Voorbeelden: -E, -TE/-DE, ER / DER, TE, DE

Het is TE en niet TA, TO, TU, noch KE, KA, KO, KU, om over fonologisch ingewikkelder maar niet in het ABN geattesteerde functie-items maar te zwijgen. Hetzelfde geldt voor DE. Zwakke persoonlijke voornaamwoorden bevatten ook bijna allemaal een schwa, met als uitzonderingen "ie" en de mogelijkerwijs klinkerloze "'k" in bijvoorbeeld "'k liep".

Wat de medeklinkers betreft valt op dat in het Nederlands de /t/ een belangrijke rol speelt, niet alleen in bovenstaande voorbeelden maar ook voor de uitdrukking van persoon en getal en (samen met de /d/) voor de uitdrukking van de verleden tijd van zwakke werkwoorden. In het verleden speelde de /n/ eveneens een grote rol, zoals de spelling nog steeds uitdrukt. Ook hier valt een generalisatie te maken:

Medeklinkergeneralisatie functie-items

Functie-items bevatten vaak een dentaal-alveolaire medeklinker.

Voorbeelden: -TE/-DE, ER / DER, TE, DE

Het is "d'r" en niet "p'r", "b'r", "k'r", om binnen de klasse van initiële plofklanken te blijven. Evenzo is het "de" en niet "pe", "ve" of "ke".

Deze beide generalisaties zijn niet alleen van toepassing op het ABN maar gelden eveneens voor de mij bekende Nederlandse dialecten.

In het Engels merken we dezelfde tendens op. Het is "the" en niet "pe", "ve", "ge" of "ke".

Zowel de klinkergeneralisatie als de medeklinkergeneralisatie zijn verbazingwekkend robuust.

Wellicht hangen deze generalisaties samen met een theoretisch uitgangspunt voor moderne fonologische analyses, dat luidt dat dentaal-alveolairen ongespecificeerd zijn voor plaats in vergelijking met labialen en gutturalen (Humbert 1995). De generalisatie lijkt dan te zijn dat een functie-item bij voorkeur bestaat uit de ongemarkeerde klinker (de klinker die in klemtoonloze contexten gebruikt wordt) en een medeklinker die de ongemarkeerde waarde voor plaats heeft, dus dentaal-alveolair (d/t, n, s/z, r).

Nu zijn er uit de morfologie gerelateerde observaties bekend. Daar merkt men op dat affixen doorgaans een eenvoudiger fonologische structuur hebben dan stammen. Een woord kan bijvoorbeeld met de medeklinkercombinatie "-rfst" eindigen ("herfst"), maar een affix dat op "-rfst" eindigt bestaat niet. Booij (1995:47), observerend dat de schwa niet in stamvormen voorkomt maar juist wel in functiewoorden, zegt daarom dat zulke functiewoorden zelf geen prosodische woorden kunnen vormen, aangezien daarvoor de aanwezigheid van een beklemtoonbare klinker vereist is. Een monosyllabisch inhoudswoord draagt bijvoorbeeld altijd klemtoon, waardoor de klemtoonloze schwa in deze context is uitgesloten.

Wat minder vaak is opgemerkt, is dat binnen de klasse van affixen de inflectionele affixen weer aan meer beperkingen onderhevig zijn dan derivationele affixen. De K kan bijvoorbeeld in een derivationeel affix optreden zoals -LIJK of in de vorming van het diminutief in sommige dialecten ("manneke" in zuidelijk getint Nederlands) , maar hij treedt niet op als inflectioneel affix. Er lijkt dus een correlatie te zijn tussen de mate waarin een element syntactisch is geworden en de mate waarin het fonologisch aftakelt. Hoe sterker een element in de syntaxis staat, des te zwakker staat het in de fonologie. In het licht van deze tendens komt het niet als een verrassing dat syntactici een veelheid aan syntactische elementen postuleren zonder fonologische inhoud: een leeg syntactisch element is het eindpunt van de tendens om de fonologie te verzwakken.

In deze sectie hebben we erop gewezen dat inflectionele suffixen nog minder fonologie bevatten dan derivationele suffixen. We zullen ons nu richten op de suffixen -E en -EN.

3. De infinitief op -E en op -EN in het Westfries

In het ABN is de -EN een fonologische variant van -E (sectie 1). Een aantal dialecten in Nederland, waaronder de Friese en de Westfriese, hebben een syntactisch onderscheid tussen -E en -EN bewaard. Het zijn daar geen fonologische varianten van elkaar maar aparte vormen met elk hun eigen, doorgaans complementaire, distributie. Grammaticale functies die in het ABN door de schwa worden gedragen worden in het Fries en het Westfries over -E en -EN verdeeld. De vraag rijst dan of -E en -EN in het Westfries en het Fries dezelfde verdeling vertonen.

In deze sectie bespreken we in het kort de verdeling van -E en -EN bij infinitieven, een verdeling waar Jo Daan in de vijftiger jaren van de vorige eeuw al de aandacht op had gevestigd.

In die tijd was er een bepaalde consensus dat er in de dialecten van Noordholland haast geen bewijs voor een eventuele verwantschap met de Friese dialecten meer te vinden was, een consensus die tot stand was gekomen mede dankzij publicaties van Heeroma (1942) en Van Haeringen (1923). Opgemerkt zij echter dat de argumentatie vrijwel exclusief beperkt was tot één domein van de grammatica, namelijk de historische fonologie, hetgeen als een erfenis van de Neogrammatici mag worden beschouwd. Feit is echter, zoals later ontdekt werd, dat juist de fonologie van een moedertaal bij taalcontact tussen nauw gerelateerde dialecten het minst bewaard blijft; door lexicale vervanging verdwijnen fonemen en foneemcombinaties die in de moedertaal ongebruikelijk zijn (Van Coetsem 1988, en de referenties daar gegeven). De fonologie is dus, vanuit het oogpunt van taalcontacttheorie, een domein van de grammatica dat het minst geschikt is om een eventuele eerder bestaande nauwere verwantschap tussen bepaalde dialecten aan te tonen. Fonologie is het minst stabiel bij taalcontact, waarschijnlijk omdat sprekers die van een moedertaal op een tweede taal overstappen zich van de uitspraak het meest bewust zijn. Daarmee samenhangend worden lexicaal-fonologische aanpassingen van het type: (een IE in de moedertaal correspondeert met een AA in de tweede taal) het eerst geleerd.

Moeilijk te leren, zowel af te leren waar het de moedertaal betreft als aan te leren waar het de tweede taal betreft, zijn echter morfosyntactische eigenschappen. Wanneer een moedertaalspreker een grammaticaal onderscheid maakt tussen -E en -EN zal hij of zij dat gemakkelijk overdragen in een tweede taal die een dergelijk grammaticaal onderscheid niet maakt en waar de -E en de -EN niet meer dan fonologische varianten van elkaar zijn.

Terug nu naar de consensus uit de jaren vijftig dat er geen overeenkomsten te vinden zouden zijn tussen de dialecten van Noordholland en Friesland. Die consensus werd alleen verbroken door Jo Daan in artikelen uit 1956 en 1957 waarin zij met grote bescheidenheid en voorzichtigheid enkele feiten naar voren bracht die een verrassende overeenkomst tussen het Westfries en het Fries suggereerden. Ik citeer uit het artikel uit 1957 dat in It Beaken verscheen (het huisblad van de Fryske Akademy was ongetwijfeld een plek waar deze feiten op een welwillend gehoor konden rekenen):

"Evenals in het Fries is in het Westfries de slot-N wel bewaard, als er bij een infinitief een vierde naamval staat, bijvoorbeeld: 'ik zag hem liggen', 'ik hoorde hem lopen', en wanneer de infinitief afhankelijk is van 'blijven': ''t zal wel blijve hangen'. Ik weet niet of deze overeenkomst belangrijk is, maar het lijkt me wel."

Hol (1940) had er eerder al op gewezen dat de slot-N onder andere in het Fries en Westfries bewaard was gebleven. Jo Daan wees er op dat de slot-N in overeenkomstige syntactische contexten in het Westfries en het Fries voorkwam, en dat die overeenkomst mogelijkerwijs van belang was voor de vraag naar de historische samenhang tussen de dialecten van Noordholland en die van Friesland (en Groningen).

Laat ik nu een persoonlijke noot toevoegen. Ik had op het Meertens Instituut een redelijke kennis van het Westfries opgedaan toen ik tot mijn verbazing van Ton Goeman hoorde dat overeenkomst tussen Westfries en Fries controversieel was. Mij waren in het Westfries al zoveel syntactische, morfologische en idiomatische parallellen met het Fries opgevallen dat de overeenkomst me evident leek, niet de moeite waard om veel woorden aan vuil te maken. Dat laatste heb ik echter toch gedaan, toen ik ontdekte dat de dialectologische gemeenschap het tegendeel geloofde, op basis van het beperkte (namelijk tot historische fonologie) onderzoek van Van Haeringen en Heeroma. Ik gebruikte de voorzet van Jo Daan om in een grote verzameling Westfriese syntactische contexten te onderzoeken of de infinitief op -E of -EN uitging. De overeenkomst met het Fries bleek verrassend groot, niet alleen bij de infinitiefuitgang, maar ook bij de woordvolgorde in de werkwoordsgroep, het gebruik van TE, de afwezigheid van het IPP-effect, morfologische suffixen, enzovoorts (zie Hoekstra 1994a,b). Ik zal nu het gebruik van -E en -EN in het Westfries en het Fries met elkaar vergelijken, voorbijgaand aan de reeds elders behandelde infinitiefuitgangen. Mijn belangrijkste bron van kennis van het Westfries is Pannekeet (1995); verder baseer ik me op twee (ingescande) romans van de Westfriese auteur Butter (1944a, b) en op de gegevens die te vinden zijn in de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND).

4. -E en -EN in het Westfries en het Fries vergeleken

4.1. Telwoorden

Telwoorden kunnen in een genominaliseerde constructie gebruikt worden die weer bevat is in een PP. Twee voorbeelden verduidelijken een en ander:

Westfries

over twaalv-EN

met z'n twei-EN / drie-EN

Fries

oer tolv-EN

mei har beid-EN / trij-EN

In beide gevallen hebben zowel het Fries als het Westfries de -EN uitgang. Dit is voor het Westfries opmerkelijk aangezien nomina daar in het meervoud niet op -EN maar op -E uitgaan. Het bewaren van deze contextueel (dus syntactisch) bepaalde -N illustreert de overeenkomst tussen Westfries en Fries.

4.2. Stofnamen

De stofnamen behouden hun -N, zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt, zowel in het Fries als in het Westfries:

Westfries

gouwEN, plestiekEN

Fries

goudEN, plestikkEN

In het Fries kunnen stofnamen zelfs verbogen worden (zie voor een overzichtsartikel Dykstra 1984, en voor de plaatsing van het verschijnsel in de historische en theoretische context van schwa-apocope Dyk 1996), maar dat is in het Westfries niet het geval.

4.3. Zelfstandige naamwoorden

Bij de meervouden van zelfstandige naamwoorden vinden we een verschil. Het meervoud in het Westfries is een -E terwijl het in het Fries -EN is. Voorbeelden: wilgE / wylgEN, streitstienE / strjitstiennEN, ougE / eagEN, keisrandE / tsiisrannEN.

4.4. Persoonsvormen

Bij de persoonsvorm vinden we overeenkomst in de tegenwoordige tijd: het meervoud is in Fries en Westfries -E. In de verleden tijd meervoud heeft het Westfries -E, net als het ABN, terwijl het Fries -EN heeft.

4.5. Voltooid deelwoord van sterke werkwoorden

Sterke werkwoorden hebben in het Westfries en het Fries vaak een voltooid deelwoord op -EN. In de voorbeelden is de eerste vorm telkens Westfries, de tweede Fries:
moetEN / moattEN, kommEN / kommEN, sprokEN / sprutsEN, gevEN /jûN, brokEN / brutsEN

Het ABN heeft hier uiteraard een schwa.

4.6. Bijwoorden van plaats

Na een voorzetsel krijgen bijwoorden van plaats in het Fries en het Westfries een contextueel (dus syntactisch) bepaalde -N uitgang. De Westfriese voorbeelden zijn van Pannekeet (1995:228 en verder):

Westfries

van achterEN, nei benedenEN

Fries

fan achterEN, nei ûnderEN

ABN

van achter(en), naar onder(en)

Merk op dat in het Westfries de -EN van "benedEN" niet als flectie mag tellen.

4.7. Conclusie

We zien dat het Westfries een aantal verbazingwekkende parallellen met het Fries laat zien. Dit is verrassend gezien het feit dat de geografische scheiding tussen Friesland en Westfriesland in het tweede milennium na Christus voortdurend groter is geworden door de uitbreiding van de Zuiderzee, door de politieke scheiding vanwege de opkomst van het graafschap Holland (dat Westfriesland in 1289 veroverde) en door de economische scheiding vanwege de opkomst van de Randstad en de geleidelijke verarming van het Noorden. Mijn inschatting is dat het Westfries ooit een dialectvariant van het Westerlauwers Fries was.

Het is echter onwaarschijnlijk dat de grammaticale verschillen tussen Westfries en Fries (meervoudsvorming bij naamwoorden en verleden tijd van werkwoorden) aan Hollandse invloed zijn toe te schrijven. Wanneer we namelijk de meervoudsvorming van naamwoorden en van werkwoorden in de verleden tijd in andere Fries-Hollandse taalcontactdialecten bekijken (Stadsfries en Bilts), dan is er volledige overeenkomst met het Fries. Dat laatste is wat we op grond van de taalcontacttheorie verwachten. De grammaticale (morfosyntactische) verschillen tussen Westfries en Fries moeten daarom worden toegeschreven aan oorspronkelijk bestaande dialectverschillen tussen Westfries en Fries, of aan gemeenschappelijke innovaties van Hollands en Westfries.

Er is echter ook een verschil tussen het Westfries en het Fries voor wat betreft bijwoorden van plaats volgend op voorzetsels. Ik zal dat verschil hieronder bespreken en toeschrijven aan contact van het Westfries met het Hollands.

5. Taalcontactinterpretatie van de feiten rond bijwoorden van plaats

Zowel in de grammatica van het Westfries als in die van het Fries moeten bijwoorden van plaats in de context van een voorzetsel op -EN uitgaan. Westfries en Fries verschillen in de behandeling van bijwoorden die van zichzelf al op -EN uitgaan: in het Westfries krijgen die een extra -EN, terwijl dat in het Fries niet zo is:

Westfries

van binnenEN, van buitenEN

Fries

fan binnEN, fan bûtEN

ABN

van binnEN, van buitEN

In het Fries kwalificeert -EN als deel van een morfologisch ongeleed bijwoord (4) dus tevens als de flectionele markering van een bijwoord van plaats in de syntactische context van een voorzetsel. In het Westfries mag -EN aan het eind van een ongeleed bijwoord niet voor flectie doorgaan en moet er -EN worden toegevoegd; vergelijk het Fries en het ABN waar een dergelijke restrictie niet geldt . Vanwaar dit verschil? Ik formuleer een hypothese die de observatie generaliseert: een taal die onder druk staat van een tweede taal is minder geneigd om een einddeel van een morfologisch ongeleed woord voor inflectionele uitgang door te laten gaan. Of deze hypothese onafhankelijke evidentie heeft, wil ik laten rusten. Mijn doel is om een mogelijke reconstructie te geven van hoe het Westfriese systeem ontstaan kan zijn uit de samenvoeging van de Friese en de Hollandse regels.

De hypothese zou inhouden dat de "dubbele" Westfriese markering "benedenEN" tot stand kwam onder invloed van taalcontactprocessen. Bovenstaande hypothese is vanuit het oogpunt van taalcontacttheorie gemakkelijk te begrijpen. De theorie (Van Coetsem 1988) zegt immers dat inhoudswoorden het minst resistent zijn bij druk van een tweede taal, terwijl inflectionele uitgangen juist wel resistent zijn. De uitgang -EN van bijwoorden als "binnEN" is in het Fries (en hypothetisch in het oude Westfries) ambigu tussen deel van inhoudswoord en flectionele uitgang. De volgende zinnen uit het Fries illustreren dit:

-EN van "binnEN" wordt als deel van inhoudswoord geïnterpreteerd:

Hy leit achter / binnEN "hij ligt achter / binnen"

-EN van "binnEN" wordt flectioneel geïnterpreteerd:

Hij rint nei achterEN / binnEN ta "hij loopt naar achteren / binnen toe"

Als deel van een ongeleed inhoudswoord kan -EN volgens de taalcontacttheorie gemakkelijk door de tweede taal (Hollands) beinvloed worden, en dan ligt de Hollandse reductie tot -E voor de hand. Dat tast echter het flectionele systeem aan, aangezien -EN (dat tot het ongelede bijwoord behoort), na een voorzetsel ook voor flectie door kan gaan, en de flectie van de moedertaal blijft nu juist graag intact bij taalcontact. Een optimale ontwikkeling, gegeven de tegengestelde krachten die op -EN worden uitgeoefend, is dan een ontwikkeling naar een rigide onderscheid tussen -EN als deel van een morfologisch ongeleed woord en -EN als flectioneel geinterpreteerd element.

Dit kunnen we begrijpen als we de eisen van het Friese en van het Hollandse systeem voor bijwoorden van plaats ("boven", "onderen", "achteren", enzovoorts) als respectievelijk 1. en 2. hieronder formuleren, en het Westfriese systeem beschouwen als de vereniging van de Friese en de Hollandse eisen.

We geven nu een hypothethische reconstructie van het "oude" en "nieuwe" Westfriese systeem van bijwoorden van plaats:

1. Fries (en hypothetisch "Oud" Westfries)

Flectie-checking: na een voorzetsel gaat de laatste lettergreep van een bijwoord van plaats uit op -EN.

Dit leidt af: "binnen" blijft "binnen" na voorzetsel, maar "ûnder" wordt "ûnderen" na voorzetsel. De checking-regel werkt als een burocraat: als er maar -EN staat, is het goed.

2. Hollands

Het morfologisch ongelede bijwoord van plaats heeft geen flectie-interpretatie.

Hieruit volgt dat "binne" in "naar binne" formeel geen flectie heeft. Hoe zit het dan met de schwa van "ondere" in "naar ondere"? De voorspelling is dat in dat geval "ondere" een vrije variant van het bijwoord "onder" is. Dat lijkt correct want we kunnen in het Hollands ook zeggen "naar onder", waar geen schwa aanwezig is. De schwa in "naar ondere" is daarmee geen contextueel bepaalde schwa maar een fonologische variant op het bijwoord van plaats. (5)

Het Westfries beschouwen we nu als de vereniging van de regels voor het Fries en het Hollands.

Nieuw Westfries

1. Flectie-checking: na een voorzetsel gaat de laatste lettergreep van een bijwoord van plaats uit op -EN.

2. Het morfologisch ongelede bijwoord van plaats heeft geen flectie-interpretatie.

Het gevolg van regel 2 is dat Westfriese ongelede woorden op -EN zoals "binnen" niet meer als flectievormen kunnen dienen, terwijl regel 1 dat juist wel eist. De enige manier om aan beide regels te voldoen is om aan bijwoorden die van zichzelf op -EN uitgaan nog eens een flectioneel -EN te hechten. Hiermee verklaren we Westfriese vormen als "nei benedenen", "van bovenen", "van binnenen", die bestaan naast vormen als "nei achteren".

Voordat het taalcontact plaatsvond kende het Westfries het Friese systeem: een ongeleed woord op -EN kan als flectioneel geinterpreteerd element dienen. Na het taalcontact, dat wil zeggen, na het toevoegen van Hollandse regels aan de Westfriese grammatica was het "oude" Westfriese systeem niet meer optimaal, aangezien dat (bijvoorbeeld in de vorm "nei beneden") niet aan zowel de Friese regel 1 als de Hollandse regel 2 kon voldoen. Door toevoeging van een -EN uitgang aan een ongeleed woord op -EN werd het probleem opgelost. (6) De hypothetische taalverandering in het Westfries wordt dus verklaard uit het toevoegen van Hollandse regels aan de oude Westfriese grammatica zodat een nieuwe Westfriese grammatica ontstond.

6. Conclusie

De reconstructie van het Oude Westfries is volstrekt hypothetisch en niet meer dan een kapstok om ideeën omtrent taalcontact aan op te hangen. De deugd van die ideeën is dat ze exacter zijn dan wat doorgaans aan taalcontactregels geformuleerd wordt (cf. bijvoorbeeld Van Coetsem 1988). De taalverandering in het Westfries voor wat betreft bijwoorden van plaats wordt zonder verdere hulphypothesen verklaard uit het optellen van de regel uit de moedertaal en de regel uit de tweede taal. Dat levert vervolgens een feitenpatroon op in de contacttaal (Westfries) dat anders is dan in de oorspronkelijke moedertaal (Fries) en de oorspronkelijke tweede taal (Hollands).

Bibliografie

ANS (1997), Algemene Nederlandse Spraakkunst, W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij en M.C. van den Toorn. Martinus Nijhoff, Groningen.

Booij, G. (1995) The Phonology of Dutch. Clarendon Press. Oxford.

Butter, F. (1944a) Trienke Boôd. De roman van een boeredochter. West-Friesland, Hoorn.

Butter, F. (1944b) De Bullebak. 'n Westfriesche vertelling in dialect. West-Friesland, Hoorn.

Coetsem, F. van (1988) Loan phonology and the two transfer types in language contact. Foris, Dordrecht.

Craig, C. (1977) The Structure of Jacaltec. Texas University Press, Texas.

Daan, J. (1956) "Onze Friese familie". West-Frieslands Oud en Nieuw 23, 106-110.

Daan, J. (1957) "Betrekkingen tussen het Fries en het Noordhollands". It Beaken 19, 197-205.

Dyk, S. (1996) From inflected material adjectives to the history of schwa apocope in West Frisian: diverging influences on a sound change. In A. Petersen and H. Nielsen in collaboration with R.H. Bremmer Jr., E.W. Hansen and F.T. Stubkjaer. Odense University Press, Nordfriisk Instituut, Bredstedt, 55 - 67.

Dykstra, A. (1984) 'In wollen tekken' en 'de graniten toanbank': oer de bûging fan stoflike adjektiven op -EN. In N. R. Arhammar, Ph. H. Breuker, F. Dam, A. Dykstra en T.J. Steenmeijer-Wielenga (red.) Miscellanea Frisica. A new collection of Frisian studies. Van Gorcum, Assen, 183 - 191.

Haeringen, C.B. (1923) "Friese elementen in het Hollands". De Nieuwe Taalgids 17, 1-16.

Haeringen, C.B. van (1962) "Merkwaardige vormen van de werkwoorden doen, gaan, slaan, staan en zien". Gramarie. Van Gorcum, Assen, 128-134.

Heeroma, K. (1942) "Een Fries substraat in Noord-Holland?" Bijdragen en Mededelingen der Dialecten-Commissie van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen II. Noord-Hollandsche, Amsterdam, 26-35.

Hoekstra, E. (1985) On the relation between Lexical and Configurational Structure. M.A. Thesis, University of Groningen.

Hoekstra, E. (1994a) Positie- en Bewegingsaspect bij Selectie van de Infinitief op -E of -EN in het Westfries en het Fries. Taal en Tongval 46, 66-73.

Hoekstra, E. (1994b) Oer de oerienkomsten tusken de dialekten fan Noard-Hollân en it Frysk. (1994) Ph.H. Breuker, S. Dyk, D. Gorter, L.G. Jansma en W. Visser (red) Philologia Frisica anno 1993. Fryske Akademy, Ljouwert, 81-103.

Hol, A. (1940) De -n na toonloze vocaal in werkwoordsvormen. Bundel De Vooys, 169-180.

Humbert, B.H. (1995) Phonological segments: their structure and behaviour. Dissertatie, Rijksuniversiteit Leiden.

Oostendorp, M. van (1998) Schwa in phonological theory. Glot International 3, 3 - 8.

Pannekeet, J. (1995). Het Westfries. Inventarisatie van Dialectkenmerken. Stichting Uitgeverij West-Friesland, Wormerveer.

RND (1930-1982) E. Blancquaert en W. Pée (eds) Reeks Nederlands Dialect-atlassen. Antwerpen.

Schutter, G. (1997) "The Noun Phrase in Dutch". Leuvense Bijdragen 86, 309-356

Noten

1. * Voor discussie bedank ik Boudewijn van den Berg, voor redactioneel commentaar Hans Bennis, Hugo Ryckeboer en Jan Stroop en foar wiidweidich kritysk kommentaar kollegaas Dyk en Visser.

2. Er zijn echter vijf infinitieven die op -N uitgaan, namelijk "gaan", "staan", "slaan", "doen" en "zijn", cf. Van Haeringen (1962).

3. De verleden tijd van zwakke werkwoorden is onveranderlijk in alle personen, bijvoorbeeld "werkte" of "gilde". Mogelijkerwijs markeert de schwa daar verleden tijd.

4. Een morfologisch geleed woord heeft als kenmerk dat er op basis van overeenkomst met onafhankelijk bestaande woorden en hun opdelingen een structurele opdeling mogelijk is. Naast "appelboom" staan "appel" en "boom"."Beneden" is morfologisch ongeleed, want er bestaat geen * "beneed". Maar de checking component is puur fonologisch, en kan de -EN van "beneden" als inflectionele markering beschouwen.

5. Voor sommige sprekers is de variatie tussen bijwoordelijk "onder" en "onderen" beperkt tot de positie na een voorzetsel, een oordeel dat overigens in overeenstemming is met wat woordenboeken van het ABN zoals het WNT en de Van Dale beweren. Voor hun is "ik woon onderen" ongrammaticaal. Ik zou willen suggereren dat de optionele vormen met schwa voor die sprekers een idiomatische variant vormen.

6. Het gebruik van het begrip "ongeleed bijwoord" impliceert een aansluiting bij paradigmatische opvattingen van morfologie. In dergelijke representationele benaderingen zijn herinterpretaties gemakkelijk te begrijpen als verschillende interpretaties van verschillende soorten regels van dezelfde oppervlaktevorm. Een standaardvoorbeeld hiervan komt uit het Duits:

(ia)

ich liebe was dir gefällt

ik houd-van wat jou bevalt

(ib)

* ich liebe wer / wen dir gefällt

ik houd-van wie-NOM / wie-ACC jou bevalt

De b-zin is niet ongrammaticaal omdat "lieben" een abstracte ACC neemt en "gefällen" een abstracte NOM, want dan zou de a- zin ook ongrammaticaal moeten zijn. De b-zin is ongrammaticaal omdat er geen beschikbare oppervlaktevorm is die zich tegelijkertijd voor NOM en voor ACC kan uitgeven. "Was" kan zich tegelijkertijd voor NOM en voor ACC uitgeven; dit suggereert dat de oppervlaktevorm minstens zo belangrijk is als de abstracte Casus wanneer het om checking mechanismen gaat.

(ehoekstra@fa.knaw.nl)