KNAW Repository

Onderwijseffectiviteit in Fryslân

Ruijven van, E.C.M. (2004) Onderwijseffectiviteit in Fryslân.

Full text not available from this repository.

Official URL: http://depot.knaw.nl/8022

Abstract

Inleiding Medio 1999 is in de Provinciale Staten van Fryslân de kwaliteit van het Friese basisonderwijs en voortgezet onderwijs aan de orde gesteld. Het merendeel van de eerdere studies naar het Friese onderwijs wijst namelijk uit dat de leerlingen in het Friese onderwijs met achterstanden kampen. Tegenover de negatieve onderzoeksresultaten staan echter ook positieve onderzoeksresultaten. Dat betekent dat het beeld van het onderwijsniveau van zowel de leerlingen in het Friese basisonderwijs als van de leerlingen in het Friese voortgezet onderwijs onvoldoende duidelijk is. Niet alleen over het onderwijsniveau van de Friese leerlingen bestaan onduidelijk-heden; over de verklaringen van de Friese onderwijsachter-standen is de literatuur evenmin eensluidend. In opdracht van de provincie Fryslân is in deze studie de Friese onderwijs-problematiek stap voor stap ontrafeld. In een gefaseerde opzet zijn de volgende twee centrale onderzoeksvragen uitgewerkt: 1. Zijn de onderwijsresultaten van de leerlingen in het Friese basisonderwijs en voortgezet onderwijs lager dan die van de leerlingen in de rest van Nederland en lager dan die van de leerlingen in vergelijkbare provincies? 2. Welke factoren kunnen de onderwijsachterstanden van de leerlingen in het Friese onderwijs verklaren? Opzet van het onderzoek Het onderzoek is in drie fasen uitgevoerd. In de eerste fase van het onderzoek zijn de vermoedens over de achterstanden in het Friese onderwijs geverifieerd. Hiervoor zijn onderwijsresultaten van de leerlingen in het Friese onderwijs uit bestaande landelijke datasets onderzocht. De secundaire analyses zijn op twee niveaus uitgevoerd. In de eerste plaats zijn de onderwijsresultaten van de Friese leerlingen vergeleken met het landelijk gemiddelde. In de tweede plaats zijn er vergelijkingen getrokken met de onderwijsresultaten van de leerlingen in vergelijkbare provincies. Op grond van de overeenkomsten qua sociaal-economische structuur zijn hiervoor de provincies Drenthe, Zeeland en Limburg geselecteerd. De vergelijkende analyses hebben de vermoedens over de onderwijsachterstanden van de leerlingen in het Friese onderwijs bevestigd, hetgeen geleid heeft tot de uitvoering van de tweede fase van het onderzoek. In deze tweede fase is een verklarend onderzoek naar de onderwijsachterstanden van de leerlingen in het Friese basisonderwijs en voortgezet onderwijs uitgevoerd. Het verklarend onderzoek naar de beide onderwijsvelden is breed en diepgaand opgezet. Eerst is op grond van nieuwe gegevens het onderwijsniveau van de leerlingen in het Friese basisonderwijs en voortgezet onderwijs opnieuw geanalyseerd. Hierin zijn niet alleen de cognitieve leerprestaties van de leerlingen onderzocht, maar ook het zelfbeeld, als indicator voor de sociale competentie. Daarmee is zowel de kwaliteit van de kwalificatiefunctie als de kwaliteit van de vormingsfunctie van het Friese basisonderwijs en voortgezet onderwijs belicht. Net als in de eerste fase van het onderzoek zijn in de tweede fase vergelijkingen getrokken met de landelijke gegevens en met die van de leerlingen in de referentieprovincies. Om pragmatische redenen betreffende de omvang van de dataverzameling zijn in de tweede fase de referentiegroepen teruggebracht tot leerlingen uit twee van de drie eerder geselecteerde provincies, namelijk Drenthe en Limburg. Voor een eerste oriëntatie met betrekking tot verklarende factoren zijn de belangrijkste onderwijsonderzoeken op dit gebied geraadpleegd. Deze verkenning heeft geleid tot de selectie van een breed spectrum aan kenmerken op individueel niveau en schoolniveau. De gegevens van de kenmerken op individueel niveau zijn onder de leerlingen verzameld door middel van vragenlijsten. De gegevens van de kenmerken op schoolniveau zijn voor een belangrijk deel geput uit de databestanden van de Inspectie van het Onderwijs. Daarnaast zijn er ook gegevens op de onderzoekslocaties zelf verzameld, waarbij bijzondere aandacht uitgegaan is naar de meting van de daadwerkelijke tijdsbesteding aan de vakken Nederlandse taal en rekenen. Hiervoor is de dagboekmethode toegepast. Voor de afronding van het onderzoek is een derde fase gereserveerd. In deze fase is het geheel aan verkregen onderzoeksresultaten met betrekking tot de onderwijsproblematiek in Fryslân in een wetenschappelijk theoretisch perspectief geplaatst. Onderwijsniveau van de leerlingen in het Friese basisonderwijs Aan het onderzoek naar het Friese basisonderwijs hebben 98 Friese, Drentse en Limburgse basisscholen met in totaal 1795 leerlingen in groep 7 meegedaan. Van deze leerlingen is de taalvaardigheid, de rekenvaardigheid en het zelfbeeld geanaly-seerd. Uit de analyses blijken de Friese leerlingen zich qua zelfbeeld overeenkomstig te ontwikkelen als gemiddeld genomen hun leeftijdgenoten in Nederland en hun leeftijdgenoten in de referentieprovincies. Daarentegen blijken de Friese leerlingen met taal en rekenen achter te blijven ten opzichte van het landelijk niveau. Vooral de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch lagere milieus (1,25-leerlingen) kampen met forse achterstanden. Gemiddeld genomen zijn deze leerlingen met taal ruim zes onderwijsmaanden achter ten opzichte van het landelijk niveau. De rekenachterstand van de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch lagere milieus ten opzichte van het landelijke niveau komt omgerekend neer op iets meer dan vier onderwijsmaanden. Onder de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch midden en hogere milieus (1,0-leerlingen) zijn de gemiddelde taal- en rekenachterstanden ten opzichte van het landelijk niveau minder groot, maar gezien de sociaal-economische achtergrond is eerder te verwachten dat deze groep Friese leerlingen ten minste op het landelijk gemiddelde presteert. Dat is niet het geval. Qua taalvaardigheid is deze groep Friese leerlingen gemiddeld genomen bijna één onderwijsmaand achter ten opzichte van het landelijke gemiddelde en op het gebied van rekenen gemiddeld genomen ruim een halve onderwijsmaand. Interprovinciaal gezien komen de gemiddelde taalprestaties van de Friese leerlingen overeen met die van hun Drentse en Limburgse jaargenoten. Dat geldt zowel voor de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch midden en hogere milieus als de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch lagere milieus. Daarentegen blijven de gemiddelde rekenprestaties van de Friese leerlingen wel achter op die van de leerlingen uit de referentieprovincies. Onder de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch midden en hogere milieus doen de rekenachterstanden zich voor ten opzichte van de Limburgse leerlingen met dezelfde sociaal-economische achtergrond. Omgerekend komt de gemiddelde rekenachterstand van de Friese 1,0-leerlingen ten opzichte van de Limburgse leerlingen neer op bijna twee onderwijsmaanden. De Friese leerlingen uit de sociaal-economisch lagere milieus zijn met rekenen niet alleen achter ten opzichte van de Limburgse leerlingen, maar ook ten opzichte van de Drentse leerlingen met dezelfde sociaal-economische achtergrond. Omgerekend zijn de Friese 1,25-leerlingen ten opzichte van hun Drentse jaargenoten met dezelfde sociaal-economische achtergrond twee onderwijsmaanden achter en ten opzichte van de Limburgse 1,25-leerlingen is de Friese rekenachterstand ruim drie onderwijsmaanden. Onderwijsniveau van de leerlingen in het Friese voortgezet onderwijs Het onderzoek naar het Friese voortgezet onderwijs is gehouden onder HAVO en VWO examenkandidaten. In totaal hebben 3262 leerlingen verdeeld over 32 Friese, Drentse en Limburgse onderwijslocaties meegedaan. Van deze leerlingen zijn de examencijfers Nederlands, Engels, wiskunde en het zelfbeeld ten aanzien van het leren onderzocht. De analyses zijn beperkt gebleven tot interprovinciale vergelijkingen, omdat ten tijde van de rapportage de landelijke gegevens nog niet beschikbaar waren. Over de resultaten van de analyses van de cognitieve leerprestaties kunnen wij kort zijn. De gemiddelde cijfers Nederlands, Engels en wiskunde op het centraal examen van Friese havisten en VWO leerlingen wijken, statistisch gezien, niet af van de gemiddelde examencijfers van hun Drentse en Limburgse jaargenoten. Daarbij zijn er wat betreft de analyses van de gemiddelde examencijfers van de Friese havisten en VWO leerlingen naar sociaal-economisch milieus geen interprovin-ciale verschillen aangetoond. De analyses van het zelfbeeld ten aanzien van het leren leiden tot dezelfde positieve resultaten. De gemiddelde scores op de zelfrapportage van de Friese havisten en VWO leerlingen uit de sociaal-economisch lagere, midden en hogere milieus zijn, statistisch gezien, niet alleen gelijk aan elkaar, maar wijken ook niet af van de gemiddelde scores van hun Drentse en Limburgse jaargenoten met dezelfde sociaal-economische achtergrond. Dat betekent dat de Friese HAVO en VWO examen-kandidaten zich qua zelfbeeld ten aanzien van het leren overeenkomstig ontwikkelen als de Drentse en Limburgse jaargenoten. Daarmee is het onderzoek naar het Friese voortgezet onderwijs, enigszins tegen de verwachtingen in, met een positieve conclusie afgesloten. Uit de analyses in de eerste fase zijn immers op basis van examengegevens uit voorgaande schooljaren (1995/1996 tot en met 1998/1999) nog verschillen in de gemiddelde examencijfers van de Friese HAVO en VWO leerlingen ten opzichte van de Limburgse HAVO en VWO leerlingen naar voren gekomen. De resultaten uit de eerste fase zijn op grond van het meest recente datamateriaal niet bevestigd. Op grond van de onderzoeksresultaten kunnen wij stellen dat het Friese HAVO en VWO onderwijs zowel de cognitieve onderwijsdoelen als de sociale onderwijsdoelen weet te realiseren. Het onderzoek naar het Friese voortgezet onderwijs is daarmee dan ook afgesloten. Dat geldt niet voor het onderzoek naar het Friese basisonderwijs. De analyseresultaten zijn in een aantal opzichten opmerkelijk. In de eerste plaats blijken de gemiddelde taal- en rekenprestaties van de leerlingen in groep 7 uit de sociaal-economisch midden en hogere milieus in vergelijking met de onderzoeksresultaten uit de eerste fase van het onderzoek positiever af te steken ten opzichte van die de leerlingen in groep 8, maar weer negatiever ten opzichte van de leerlingen in groep 6 met dezelfde sociaal-economische achtergrond. Dat duidt erop dat de Friese leerlingen uit de sociaal-economisch midden en hogere milieus in het basisonderwijs taal- en rekenachterstanden oplopen. Deze veronderstelling sluit aan bij onderzoeksresultaten uit recente studies naar de schoolprestaties van de Friese leerlingen, waarin aangetoond wordt dat de Friese leerlingen in groep 4 van het basisonderwijs met taal en rekenen gemiddeld genomen nog op of zelfs boven het landelijk gemiddelde presteren, terwijl de Friese leerlingen in groep 7 taal- als rekenachterstanden laten zien. In de tweede plaats zijn de interprovinciale prestatieverschillen opmerkelijk. Gezien de overeenkomstige sociaal-economische context zijn onder de leerlingen in het Friese, Drentse en Limburgse basisonderwijs eerder overeen-komstige schoolprestaties te verwachten. Het vervolg van het onderzoek is dan ook gericht op de vraag hoe de prestatie-verschillen van de leerlingen in het Friese basisonderwijs ten opzichte van de basisschoolleerlingen in de referentie-provincies verklaard kunnen worden. Verklaring van de taal- en rekenachterstanden van de leerlingen in het Friese basisonderwijs Als voorbereiding op de verklarende analyses zijn kenmerken op individueel niveau en schoolniveau, als onafhankelijke variabelen, afzonderlijk onderzocht op provinciale verschillen. Uit de afzonderlijke analyses blijken de Friese basisschoolleerlingen op het punt van de gezinssamenstelling, taalachtergrond, pedagogisch gezinsklimaat en vrijetijds-besteding af te wijken ten opzichte van de Drentse en Limburgse leerlingen. Ook op schoolniveau blijken er interprovinciale verschillen te zijn. Hierbij gaat het om denominatie, schoolgrootte, teamstabiliteit, onderwijservaring en effectieve leertijd aan het vak rekenen. Met behulp van multilevelanalyses is onderzocht of deze variabelen gezamenlijk de taal- en rekenachterstanden van de Friese leerlingen ten opzichte van de leerlingen in de referentieprovincies kunnen verklaren. Hierbij zijn niet alleen de variabelen betrokken, waarbij interprovinciale verschillen zijn aangetoond, maar alle variabelen op individueel niveau en schoolniveau. Ook hier zijn opmerkelijke analyseresultaten te melden. In de eerste plaats is het positieve regio-effect van Drenthe, zoals dat hiervoor aangegeven is in relatie met de rekenprestaties van de leerlingen uit de sociaal-economisch lagere milieus, niet bevestigd. Dat betekent dat de analyses verder geconcentreerd zijn op de prestatieverschillen tussen de Friese en Limburgse leerlingen. In de tweede plaats zijn de verwachtingen over de verklarende effecten van de kenmerken, waarop de Friese leerlingen ten opzichte van de Limburgse leerlingen afwijken, niet bevestigd. Tegen de verwachtingen in blijken gezinssamenstelling, taalachtergrond en vrijetijdsbesteding namelijk geen effect te hebben op taal- en rekenprestaties. Dat betekent dat de taal- en rekenachterstanden van de Friese leerlingen niet toegeschreven kunnen worden aan het feit dat de Friese leerlingen gemiddeld genomen in grotere gezinnen opgroeien, aan de vrijetijdsbesteding van de Friese leerlingen en aan het feit dat een groot aantal Friese leerlingen niet-Nederlandstalig is. Wat dit laatste betreft, het non-effect van de taalachtergrond, geldt niet alleen ten aanzien van de interprovinciale prestatieverschillen, maar ook ten aanzien van de intraprovinciale verschillen in taal- en rekenprestaties. In tegenstelling tot de non-effecten van de kenmerken op individueel niveau, zijn de verwachtingen over de verklarende effecten van de interprovinciale verschillen van kenmerken op schoolniveau (denominatie, schoolgrootte, teamstabiliteit, onderwijservaring en leertijd rekenen) wel bevestigd. Althans bij de verklaring van de interprovinciale rekenverschillen. Determinanten van de interprovinciale verschillen in taal- en rekenprestaties De verschillen in taalprestaties van de Friese leerlingen ten opzichte van de Limburgse leerlingen kunnen geheel toegeschreven worden aan verschillen tussen leerlingen en wel in het bijzonder aan de variabelen sekse, leeftijd, sociaal-economische achtergrond, prestatiemotivatie en aanleg/ potentie. Hetzelfde beeld zien wij bij de analyses van de interprovinciale verschillen in rekenprestaties. Van de kenmerken op individueel niveau zijn alleen de effecten van sekse, leeftijd, sociaal-economische achtergrond, prestatie-motivatie en aanleg/potentie van belang. Deze resultaten sluiten aan bij de resultaten van de analyses van de verschillen in taal- en rekenprestaties binnen de provincie Fryslân. Dat betekent dat sekse, leeftijd, sociaal-economische achtergrond, prestatiemotivatie en aanleg/potentie niet alleen de belangrijkste determinanten van de interprovinciale verschillen in taal- en rekenprestaties zijn, maar ook de belangrijkste determinanten zijn van de intraprovinciale verschillen in taal- en rekenprestaties. Zoals gezegd, spelen er bij de verklaring van de interprovinciale verschillen in rekenprestaties naast kenmerken op individueel niveau ook kenmerken op schoolniveau een rol. Twee kenmerken op schoolniveau weten op zichzelf staand voldoende effect te sorteren, namelijk de opbrengsten van de school en de leertijd rekenen. De kenmerken denominatie, schoolgrootte, didactisch handelen, leerlingen-zorg, teamstabiliteit en onderwijservaring maken deel uit van een configuratie van kenmerken op schoolniveau, die in samenhang met de significante kenmerken op individueel niveau en schoolniveau de interprovinciale verschillen in reken-prestaties kan verklaren. De effecten van de verschillen tussen scholen zijn in verhouding met de effecten van de kenmerken op individueel niveau gering, maar wel relevant. Door een combinatie van effecten van kenmerken op schoolniveau (denominatie, schoolgrootte, opbrengst van de school, didactisch handelen, leerlingenzorg, teamstabiliteit, onderwijservaring en leertijd rekenen) is het rekenonderwijs in het Friese basisonderwijs namelijk minder effectief dan het rekenonderwijs in het Limburgse basisonderwijs. De lagere effectiviteit van het

Item Type:Doctoral Thesis
Institutes:Fryske Akademy
ID Code:8022
Deposited On:09 Jul 2008 02:00
Last Modified:02 Feb 2011 16:19

Repository Staff Only: item control page