Bespreking van "Geschiedenis van de Nederlandse syntaxis" van J.M. van der Horst, Universitaire Pers Leuven, 2008, 2 delen, 2014 blz.

 

1. Ter Inleiding

 

Een kloek boek in twee kloeke delen ligt voor ons. Ik citeer uit de informatieve tekst van de uitgever over dit werk:

 

Op heldere en gestructureerde wijze beschrijft van der Horst ontwikkelingen in de zinsbouw vanaf de vroegst overgeleverde teksten (Wachtendonckse Psalmen, Williram) tot aan het hedendaagse Nederlands. Alle stadia werden zorgvuldig geattesteerd met citaten en voorbeeldzinnen, allen voorzien van bronvermelding, om aan te tonen welke constructies gebruikelijk waren in de beschreven periode.[1]

 

Ik bespreek dit omvangrijke werk niet als specialist op het gebied van historische syntaxis, maar als generalist die graag op een zo gemakkelijk mogelijke manier toegang wil krijgen tot de kennis die een specialist zoals Van der Horst te bieden heeft. Gebruiksaspecten van het boek zullen daarom de nadruk krijgen. Tevens zal ik als frisist enige kanttekeningen bij dit werk plaatsen.

 

 

2. Algemene aspecten

 

In zijn Inleiding roert Van der Horst verscheidene kwesties aan die van belang zijn voor een visie op het hier besproken werk.

 

2.1. Wie kan er nog Oud- en Middelnederlands lezen?

 

Van der Horst (14) merkt op:

 

Er doet zich momenteel namelijk een opmerkelijke paradox voor: enerzijds zien we een sterke toename van het historisch syntactisch onderzoek, anderzijds is er een onmiskenbare afname van vertrouwdheid met historische teksten.

...

Maar hoe goed het ook is dat de historische syntaxis thans gehuisvest is in het pand waar ook de linguïsten van andere disciplines verblijven, de keerzijde van de medaille is dat de beoefenaar van historische syntaxis soms slecht uit de voeten kan met oudere teksten: hij of zij heeft niet zelden weinig gelezen, en bijna altijd veel minder dan de collega van een halve eeuw of langer geleden.

 

Van der Horst heeft hier volkomen gelijk in. Als generalistisch taalkundige die graag in allerlei disciplines rondsnuffelt, ben ik me bij historisch syntactisch onderzoek altijd pijnlijk bewust van mijn geringe kennis van bijvoorbeeld Oud- en Middelnederlands, Oudsaksisch, Oudfries, Oudengels, en zo voorts. Toch heb ik een eerdere fase van mijn carrière zonder problemen mee kunnen doen aan syntactisch onderzoek naar exotische talen die ik noch sprak noch lezen kon: ik had slechts een abstracte kennis van hun syntaxis.

 

Hoe kan een relatieve buitenstaander die wel een syntacticus is met de syntactische specialisten op het gebied van een oude taal - of een exotische taal - meedenken en meepraten? Welnu, dat is eenvoudig: als de specialist zijn kennis van het taalmateriaal met hem deelt. Daar zijn sinds jaar en dag conventies voor ontwikkeld, die het mogelijk maken dat de specialist zijn syntactische kennis van een voorbeeldzin deelt met de lezer. Met een goed Nederlands leenwoord zijn dat glossen geheten. In glossen geeft de syntactische specialist aan wat van elk woord de betekenis is, en er wordt, voor zover relevant voor het besproken verschijnsel, voor elk woord of woorddeel aangegeven wat de woordsoort en/of syntactische functie ervan is. Dat stelt de kritische lezer in staat om op hoog nivo mee te denken over het taalmateriaal: hij hoeft niet meer blindelings te vertrouwen op de claims die de specialist maakt, maar kan daar op intelligente wijze vraagtekens bij plaatsen.

 

Er is nu sprake van een merkwaardige paradox aan. Taalkundigen die zichzelf presenteren als zijnde het meest gepreoccupeerd met de feiten zijn het minst geneigd om diezelfde feiten te glossen zodat ze voor niet-specialistische vakbroeders en vakzusters toegankelijk worden. En aan de andere kant zijn theoretisch taalkundigen, wier vlucht der verbeelding de feitelijke werkelijkheid nogal eens op ongeloofwaardige wijze ontstijgt, het meest geneigd om hun zinnen van glossen te voorzien. Dit is niet het plek om naar verklaringen voor deze paradox te zoeken. Feit is wel dat Van der Horst er aan de ene kant voor gekozen heeft om gigantische hoeveelheden zinnen te presenteren. Een verschijnsel wordt eerder geïllustreerd met twintig zinnen dan met twee, overigens zonder dat die twintig zinnen nader worden gecategoriseerd of ingedeeld: het betreft blijkbaar "meer van hetzelfde", wat a priori niet verkeerd is. Maar: Van der Horst heeft er aan de andere kant voor gekozen om die zinnen niet te glossen.

 

Natuurlijk is dat voor de specialist op het gebied van de historische taalkunde van het Nederlands geen bezwaar. Voor de niet-specialistische generalist, die even iets wil opzoeken, is het een groot manco dat hij van de feiten wordt afgehouden niet alleen door zijn eigen gebrek aan kennis maar ook doordat de specialist blijkbaar niet al zijn kennis met hem heeft willen delen. Helaas is deze gang van zaken in de traditionele taalkunde eerder regel dan uitzondering.

 

Een voorbeeld. Het descriptieve meesterwerk van Bor (1971) over de syntaxis van het Oudfries wordt bijvoorbeeld amper gebruikt omdat de voorbeeldzinnen niet geglost zijn, terwijl het nota bene zelfs in het Engels geschreven is. Met andere woorden, de doelgroep van Bor betreft lezers die wel Oudfries kunnen lezen, maar geen Nederlands. Van der Horst heeft enerzijds verondersteld dat zijn doelgroep bestaat uit lezers die Oudnederlands kunnen lezen, terwijl hij in zijn Inleiding juist beweert dat er maar weinig historische syntactici die vlot een oude taal kunnen lezen.

 

Plaatsgebrek kan geen argument zijn voor het weglaten van glossen. Het totaal aantal voorbeeldzinnen had wel zodanig verminderd kunnen worden dat er ruimte voor was geweest. Desnoods had de auteur zelfs slechts telkens de eerste twee voorbeelden van een groep voorbeeldzinnen kunnen glossen.

 

Ditzelfde bezwaar kan ook worden ingebracht tegen andere reuzenwerken op het gebied van de historische syntaxis, zoals Mitchell (1985) over het Oudengels. Daarentegen is descriptief werk van taalkundigen - die niet nadrukkelijk een antitheoretische signatuur uitdragen - doorgaans wel geglost, zoals Koopman (1990), Fischer, Van Kemenade, Koopman & W. van der Wurff (2000). De eerste auteur heeft uit eigen ervaring ondervonden hoezeer gegloste zinnen eigen onderzoek kunnen inspireren en bevorderen. Kortom, het is eeuwig zonde dat de auteur ervoor gekozen heeft om zijn voorbeelden niet te glossen.

 

2.2. Diepte van de analytische ordening

 

De hier geboden Geschiedenis van de Nederlandse syntaxis is eerst en vooral gericht op inventarisatie van de feiten, met veel aandacht voor datering, en terughoudend met verklaringen, theorieën en interpretaties.

 

Aldus Van der Horst. De inventarisatie van de feiten geschiedt door de feiten in te delen op tijdvak en op vorm.

 

Met de indeling op tijdvak correspondeert de indeling in boeken:

 

Boek I.               Oudnederlands, voor 1200

Boek II.            Middelnederlands, 1200-1350

Boek III.          Middelnederlands, 1350-1500

Boek IV.         16e eeuw

Boek V.            17e eeuw

Boek VI.         18e eeuw

Boek VII.       19e en 20e eeuw

 

Binnen elk boek is dezelfde hoofdstukindeling aangehouden. Dus in elk boek gaat hoofdstuk 7, om een voorbeeld te noemen, over pronomina.

 

De hoofdstukindeling, die tevens de voornaamste ordening van het feitenmateriaal biedt, is zoals gezegd op vormen gebaseerd. Daarbij moet gedacht worden aan naamvallen, woordsoorten, volgordeverschijnselen. Hieronder de lijst met de in elk boek gebruikte hoofdstukindeling:

 

0.   Algemeen

1.      Naamvallen

2.      Genitivus

3.      Dativus

4.      Accusativus

5.      Zelfstandige naamwoorden

6.      Bijvoeglijke naamwoorden

7.      Pronomina

8.      Telwoorden

9.      Werkwoorden

10.  Preposities

11.  Bijwoorden en voornaamwoordelijke constituenten

12.  Onderschikkende voegwoorden

13.  Nevenschikkende voegwoorden

14.  Negatie

15.  Volgorde in nominale groepen

16.  Plaats van de persoonsvorm

17.  Positie van niet-finiete werkwoordsvormen en andere elementen in of bij de zg. “tweede pool”.

18.  Volgorde van zinsdelen

19.  Samentrekking

 

De onderstreepte hoofdstuktitels zijn nader onderverdeeld. Dankzij deze pragmatische indeling zijn relevante feiten gemakkelijk op te zoeken. Mogelijk kritiekpunt zou kunnen zijn dat het verschijnsel IPP behandeld wordt in hoofdstuk 9 “Werkwoorden” (9.5. Andere combinaties van werkwoorden >  9.5.1. Algemeen > 9.5.1.3. IPP) terwijl het nauw gerelateerde verschijnsel van volgorde in drieledige werkwoordsgroepen behandeld wordt in hoofdstuk 16 “Plaats van de persoonsvorm” (16.3. Vfn > 16.3.1. Rode/groene volgorde; 16.3.2. Drie- (of meer) ledige werkwoordelijke eindgroepen. Daar fietst het onderscheid tussen hoofd- en bijzin, met eventuele vooropplaatsing van de persoonsvorm, doorheen op een manier die voor de lezer niet duidelijk is. Enfin, Van der Horst merkt zelf al op dat men er niet aan ontkomt om indelingscriteria te gebruiken die voor het ene tijdvak nu eenmaal beter werken dan voor het andere.

 

Binnen een syntactische categorie wordt soms een systematische lijst van lexicale items besproken, bijvoorbeeld bij de voorzetsels. Soms is er sprake van een doorlopende tekst waarin in een nieuwe alinea een ander lexicaal item aan de orde komt, zoals bij de temporele bijwoorden. Als lezer had ik het wel handig gevonden dat lexicale items zoveel mogelijk als vet kopje worden afgedrukt boven de alinea waarin ze besproken worden, zodat het nog gemakkelijker wordt om bijvoorbeeld “ie” en “nie” te vinden – in het ABN “ooit” en “nooit”. Maar dat zijn details. Over het algemeen is het erg gemakkelijk om de relevante feiten te vinden. En een indeling op vormen is waarschijnlijk de best mogelijke keus.

 

Wat ik wel mis, is een bespreking van de grote hoeveelheden voorbeeldzinnen die wordt bijgeleverd. Neem bijvoorbeeld het subhoofdstuk 11.1.4 “Bijwoorden van graad” uit Boek 1. Dat beslaat anderhalve pagina. De uitleggende tekst is echter als volgt:

 

Als bijwoorden van graad treffen we aan:

(1 zin)

De combinatie des te + comparatief, die vooral in de 16de eeuw gesignaleerd kan worden, treffen we ook al aan in de Williram en de Mittelfränkische Reimbibel:

(5 zinnen)

In de Heliand vinden we in deze positie thiu, wat oorspronkelijk wel een instrumentalis geweest zal zijn:

(7 voorbeelden, in 1 geval niet van een gloss maar van een complete vertaling voorzien)

Vgl. in dit verband ook de Mittelfränkische Reimbibel:

(31 voorbeeldzinnen, onderverdeeld zonder uitleg in groepjes)

Een enkele keer treffen we in deze periode al eens formaties aan als:

(1 voorbeeldzin)

 

Dit is karakteristiek voor het werk van Van der Horst: we krijgen als lezers een enorme hoeveelheid voorbeeldzinnen voor de kiezer, waarover heel summier nadere informatie gegeven wordt over wat er interessant aan zou kunnen zijn. Zouden 2 voorbeelden in plaats van 31 ook voldoende zijn geweest? En wat wordt precies bedoeld met de opmerking “Vgl. in dit verband ook de Mittelfränkische Reimbibel”? Slaat dat op de opmerking over de instrumentalis uit de voorgaande zin? De hierboven geciteerde passage is karakteristiek voor de manier waarop het boek als geheel is geschreven.

 

Iemand die om te beginnen zonder glossen de Oudnederlandse zinnen niet begrijpt heeft aan de begeleidende tekst bijzonder weinig houvast om zich een idee te vormen van wat er over het gebruik van bijwoorden van graad in het Oudnederlands te weten zal zijn. Inderdaad, wie Oudnederlands kan lezen, zal ongetwijfeld begrijpen wat Van der Horst bedoelt. Maar de auteur had zelf al geconstateerd dat er niet veel taalkundigen zijn die nog Oudnederlands kunnen lezen. Door de afwezigheid van uitleg in de begeleidende tekst is een boek nogal een boek voor specialisten, voor insiders geworden, terwijl het met een kleine inspanning een fantastische Fundgrube had kunnen zijn voor de taalkundige horden van geïnteresseerde buitenstaanders – waartoe ondergetekende zichzelf rekent. Ik constateer dat het boek zeer overzichtelijk is ingedeeld, maar dat voor de oudere taalfasen het gebrek aan uitleg van de voorbeeldzinnen de ontoegankelijkheid ervan verder vergroot. Daarmee wordt de toch interessante doelgroep van geïnteresseerde buitenstaanders, die groter is dan die der specialisten, buitengesloten.

 

 

3. Fries en andere omliggende talen

 

Op allerlei plaatsen wordt ook verwezen naar de literatuur betreffende het Engels, het Duits of andere verwante talen. De traditie in handboeken voor de geschiedenis van het Duits en het Engels is dat zij zelden of nooit verwijzen naar verwante of parallelle verschijnselen in nauw verwante talen. Dat is jammer, omdat niet zelden een parallelle kwestie in een andere taal al beter beschreven is, en een boeiend licht werpt op de “eigen” kwestie.

 

Aldus wederom Van der Horst in zijn Inleiding. Dat is zeker waar. Maar hoe zou dat komen dat men zo weinig over de grenzen van zijn eigen specialisme heen ziet? De Engelse of Duitse taalkundige die een beetje Nederlands kan lezen, zal zeker niet zijn weg kunnen vinden in de ongegloste en amper van analytisch commentaar voorziene voorbeeldzinnen van Van der Horst, noch in ander werk op het gebied van de historische syntaxis, dat immers aan dezelfde euvels lijdt, zoals de al eerder genoemde Mitchell (1985) over het Oudengels, en Bor (1971) over het Oudfries. Ter contrast, wanneer werk wel geglost is, en redelijk in detail uitgelegd, leidt het ook direct tot hypothesevorming in aanpalende specialismen. Zo kon ik in Hoekstra (2007) over het Oudfries direct mijn voordeel doen met wat Koopman (1990) voor het Oudengels had bedacht. Comparatief onderzoek wordt dan een stuk gemakkelijker.

 

Aan de andere kant verdient Van der Horst natuurlijk lof voor het feit dat hij doorverwijzingen geeft naar vergelijkbare verschijnselen in aanverwante talen. Boek 1 over het Oudnederlands wordt vooraf gegaan door een kleine historisch-taalkundige of historisch-syntactische bibliografie die de voornaamste referenties voor andere talen dan het Nederlands richt. Als frisist moet ik helaas tot mijn schrik concluderen dat het gezaghebbende en lijvige (845 bladzijden) Handbuch des Friesische / Handbook of Frisian (Tübingen 2001) ontbreekt! En dat terwijl enkele zeer summiere grammatica’s die zich op hedendaags Fries richten wel zijn opgenomen. Een mailtje naar een willekeurig iemand van de Fryske Akademy (“kijk mijn bibliografie even na, is er nog iets wat beslist niet mag ontbreken?”) was genoeg geweest. In het Handbuch staat onder andere een fraai overzichtartikel van De Haan (2001a) over de syntaxis van het Oudfries en een artikel van J. Hoekstra (2001) over de geschiedenis van het Westfries, naast interessante artikelen van bijvoorbeeld Versloot (2001) over de geschiedenis van het Oostfries, om maar een paar te noemen van de 79 artikelen die deze bundel rijk is. Dit is des te schrijnender omdat later werk over het minder verwante Oudnoors (Faarlund 2004) wél op de bibliografie is opgenomen. Om voorrang strijden nu diverse zure opmerkingen over de behandeling van minderheidstalen in Nederland, die ik evenwel (niet zonder moeite) inslik.

 

Niettegenstaande de in deze recensie gegeven kritiek is er toch maar een standaardwerk dat als hulpmiddel kan dienen om de ontwikkelingsgang van het Nederlands nader te onderzoeken. Dat is ook voor de ontwikkelingsgang van het Fries van groot belang, aangezien het Fries geen zich zelfstandig ontwikkelende taal is. Het Fries heeft (bijna) altijd gefunctioneerd in een tweetalige omgeving. Al vanaf de vroegste overlevering vinden wij op Friese bodem (en ook in Groningen) naast Oudfriese bronnen ook Middelnederlandse bronnen. Merk op dat de chronologie van het Fries anders is dan in het Nederlands, waardoor het Oudfries uit dezelfde tijd is als het Middelnederlands. Het Oudfries loopt standaard van ongeveer 1350 tot 1550, het Midfries van 1550 tot 1800; onlangs vond er nog een discussie plaats over de periodisering van het Fries (De Haan 2001b, Versloot 2004). Kortom, het boek van Van der Horst is relevanter voor het Fries, dat constant met het Nederlands heeft samengeleefd, dan voor andere talen.

 

 

4. Tot besluit

 

Van de hoogleraar Weijnen werd wel gezegd dat hij een boek schreef door een schoenendoos leeg te schudden waarin zich een verzameling systeemkaartjes met gerubriceerde observaties bevond. De hoogleraar Van der Horst heeft zich ook van deze respectabele methode bediend, zij het dan dat de doos met zijn systeemkaarten heel wat groter zal zijn geweest dan die van Weijnen (indien Van der Horst al systeemkaarten gebruikt heeft). Het voornaamste bezwaar is het ontbreken van glossen bij voorbeeldzinnen uit oudere taalfasen, alsmede een gebrek aan begeleidend commentaar. Afgezien daarvan moeten we constateren dat we met een uniek en zeldzaam uitgebreid werk te maken hebben, waar geen taalkundige om heen kan die onderzoek naar ouder Nederlands – of ouder Fries – wil doen. Er is een imposante hoeveelheid terugvindbare data bijeengebracht, die het onderzoek naar historische syntaxis een sterke impuls zal geven. Critici moeten de woordenboeken maar ter hand nemen indien zij de voorbeeldzinnen niet voldoende begrijpen.

 

 


 

 

Bibliografie

 

Bor, A. (1971). Word-groups in the language of the Skeltana Riucht. A syntactic analysis with occasional lexicological observations; followed by an inquiry into its punctuation and the possibility of the influence on the text of spoken language. Dissertation University of Amsterdam.Wageningen.

Fischer, O., A. van Kemenade, W. Koopman & W. van der Wurff (2000). The Syntax of Early English. Cambridge. Koopman, W. (1990). Word order in Old English. With special reference to the Verb Phrase. Dissertation University of Amsterdam. Amsterdam Studies in Generative Grammar 1.Haan, G.J. de (2001a). ‘Syntax of Old Frisian’. Handbook of Frisian Studies, 626-636.

Haan, G.J. de (2001b) ‘Why Old Frisian is really Middle Frisian’. Folia Linguistica Historica 22, 179-206.

Handbuch des Friesischen. Handbook of Frisian Studies (2001) H.H. Munske. In Zusammenarbeit mit: N. Århammar, V.F. Faltings, J.F. Hoekstra, O. Vries, A.G.H. Walker and O. Wilts (eds). Max Niemeyer Verlag, Tübingen.

Hoekstra, E. (2007) ‘On Koopman's Generalisation. Remarks on verb clusters in Old Frisian and Old English’. In: Twai tigjus jeer. Jubileumnummer van het mededelingenblad van de vereniging van Oudgermanisten uitgegeven ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van de vereniging. Onder redactie van Carole Post van der Linde en Lars van Wezel mmv Annelies Roeleveld. Amsterdam, 139 - 151.

Hoekstra, J. (2001) An Outline History of West Frisian. Handbook of Frisian Studies, 722-734

Koopman, W. (1990). Word order in Old English. With special reference to the Verb Phrase. Dissertation University of Amsterdam. Amsterdam Studies in Generative Grammar 1.

Versloot, A. (2001) ‘Grundzüge ostfriesische Sprache und Literatur’. Handbook of Frisian Studies, 734-740.

Versloot, A.P. (2004) Why Old Frisian is still quite old. Folia Linguistica Historica 25, 253-298.



[1] Zie http://upers.kuleuven.be/node/32009.